| Van Hypothese naar Geloof
Ton Geurtsen
eerder gepubliceerd in Kleintje Muurkrant
Deel 2: Dodelijke medicatie tegen aids
‘Het is erg treurig en frustrerend te weten dat het aids-establishment hoogst giftige medicijnen als AZT geeft aan zwangere vrouwen. (...) Anti-virale medicijnen voorschrijven aan aids-patiënten is als benzine op het vuur gooien.’
Mohammad Ali Al-Bayati, toxicoloog en patholoog in California
’Ik heb een grote groep van hiv-positieve patiënten die er voor hebben gekozen geen anti-virale drugs te gebruiken. Zij hebben al hun vrienden zien plaatsnemen op de anti-virale praalwagen en zien sterven.’
Donald Abrams, hoogleraar medicijnen aan het San Francisco General Hospital
‘Wat we nodig hebben is onderzoek naar de mogelijke oorzaken zoals drugsgebruik en leefstijl, niet een hypothese die bankroet is.’
Richard Strohman, emeritus hoogleraar celbiologie, universiteit Berkeley, California
In het eerste deel van dit artikel is beschreven hoe de drugsepidemie van de jaren zeventig onder specifieke groepen aan de oorsprong lag van het ontstaan van aids. Het recreatieve drugsgebruik verklaart echter bij lange na niet alle gevallen van aids. Een belangrijke, zo niet doorslaggevender rol wordt gespeeld door de toegepaste medicatie. Deze twee factoren tezamen worden wel samengevat in de zogeheten drugs-aids-hypothese, die door een belangrijk deel van de aidsdissidenten, maar niet door alle, wordt aangehangen. Er zijn ook andere leefstijlfactoren denkbaar en plausibel, maar de feitelijke onderbouwing daarvoor is minder groot.
In de Engelse taal betekenen drugs zowel (recreatieve) drugs als (tegen ziekte ingezette) medicijnen en dat is niet voor niks. In feite gaat het om dezelfde stoffen: vrijwel alle recreatieve drugs hebben een medische toepassing gehad of hebben die nog. Poppers werden in de medische wetenschap voor het eerst gebruikt in de vorm van toediening van amylnitriet tegen hartproblemen. Heroïne is de chemisch gemodificeerde vorm van de pijnbestrijder morfine. LSD heeft soms toepassing gevonden bij ernstige psychiatrische problemen. De drugs PCP en ketamine zijn van oorsprong pijnverdovingsmiddelen, waarvan de laatste door veeartsen wordt toegepast. Ook het recreatief gebruikte GHB heeft een medische toepassing als middel om pijn te verlichten en om ernstige slaapstoornissen (narcolepsie) tegen te gaan. En amfetamine heeft haar medische oorsprong in de behandeling van astma. Het gaat hier dus om farmaceutische, lichaamsvreemde stoffen die bij medische toepassing tot bijwerkingen leiden en bij recreatief gebruik al snel verantwoorde doses overschrijden.
Terwijl drugsgebruik zich concentreert in bepaalde sociale groepen, is dat met medicatie veel minder het geval. In het eerste deel is al aangegeven dat de (relatief geringe) verspreiding van aids onder andere dan de oorspronkelijk onderscheiden risicogroepen verklaarbaar is doordat een concrete ziekte ‘aids’ wordt genoemd als er hiv-antistoffen worden gevonden. Het gevolg daarvan is dat wie als hiv-positieve bijvoorbeeld lymfeklierkanker krijgt niet, zoals gebruikelijk, met alleen anti-kankermedicijnen wordt behandeld, maar bovenal geadviseerd wordt medicatie tegen hiv te gebruiken. Omdat hiv gezien wordt als beginstadium van een steeds verdere neergang van de gezondheid, wordt de medicatie bovendien preventief voorgeschreven op het moment dat iemands bloedwaarden te wensen overlaten. Dit heeft dramatische gevolgen gehad, die reiken tot buiten de oorspronkelijk getroffenen.
Casus 1: Rudolf Nurejev
Het was 6 januari 1993 dat in Parijs de vermaarde balletdanser en choreograaf Rudolf Nurejev overleed. In 1984 liet hij zich, als zovelen overmand door angst, testen op de aanwezigheid van het hiv-virus. Hij bleek seropositief, maar verkeerde in goede gezondheid. De jaren die volgden, waren succesvol voor hem: hij was goed in vorm en werkte hard, in Italië en Duitsland, in de Verenigde Staten en Frankrijk. Maar de angst voor wat het virus zou gaan uitrichten, voor het als onvermijdelijk voorgestelde sterven aan aids liet hem niet los.
De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) gaf in 1987 goedkeuring aan het op de markt brengen van een middel dat geïnfecteerden hoop op de toekomst leek te bieden. Het heette zidovudine, beter bekend onder de naam AZT (azidothymidine). Ook Nurejev, die door zijn beroep en identiteit nog meer dan gemiddeld beducht was voor lichamelijke achteruitgang, moet hier zijn redding in hebben gezien. Een jaar later vroeg hij de arts Michel Canesi, een vriend van hem, AZT voor te schrijven. En dat gebeurde, ook al had Canesi het hem ontraden vanwege de ‘gevaarlijke bijwerkingen’. Het was 1988 en Nurejev was nog altijd in goede gezondheid. Dat veranderde echter in de zomer van 1991. Hij beschikte over een dusdanige wilskracht dat hij doorwerkte, maar de gevolgen waren ook naar buiten toe zichtbaar aan het worden. Op 8 oktober 1992 trad hij voor het laatst voor een groot publiek op, toen hij in de Parijse opera Palais Garnier de première bijwoonde van zijn laatste choreografische werk La Bayadère. Twee dansers hielpen hem de bühne op en Nurejev bleef zitten, ook toen hij een onderscheiding kreeg uit handen van de Franse minister van Cultuur. Lopen viel hem te moeilijk, hij was zichtbaar verzwakt en vermagerd.
De paar maanden die hem nog restten, eindigden met de volgende officiële doodsoorzaak: een ontsteking van het hartzakje (pericarditis), veroorzaakt door het tot de herpesvirussen behorende cytomegalovirus (CMV). Maar om hem heen werd er niet langer geheimzinnig over gedaan. Ook Nurejev stierf aan aids.
Aan de basis van zijn ondergang, zo zou de officiële verklaring zijn, lag de besmetting met het hiv-virus. Dat zou het immuunsysteem van Nurejev dusdanig hebben verzwakt dat het CMV-virus toesloeg. Dat virus veroorzaakte op haar beurt een hartaandoening die hem fataal werd. Het aantal aandoeningen dat onder aids wordt geschaard is dusdanig groot en hun karakter zo uiteenlopend, dat het hiv-virus hier – en in zoveel andere gevallen – een wonderbaarlijke veelzijdigheid wordt toegekend. Welke keten van reacties er ook in iemands lichaam op gang komt, steeds is het virus de uiteindelijke veroorzaker – ook van een aandoening als pericarditis die in het geheel niet voorkomt op de lijst van aids-aandoeningen.
Voor de hand liggender is het om de reden voor Nurejevs dood terug te voeren op de toepassing van AZT. Zijn besmetting was negen jaar eerder vastgesteld, maar natuurlijk al (veel) eerder ontstaan. Ondanks het virus was hij jarenlang gezond gebleven. Drie jaar na zijn start met de AZT-therapie begon zijn gezondheid dramatisch te verslechteren en anderhalf jaar later stierf hij.
Zoals Nurejev is het velen vergaan. Meer publieke beroemdheden, maar nog veel meer onbekenden, in aantallen van honderdduizenden, klampten zich in wanhoop vast aan wat een middel tegen aids leek te zijn. Hen werd verteld dat ze door besmetting met het hiv-virus ten dode waren opgeschreven en dat AZT de weg naar het einde kon verlengen en de levenskwaliteit kon verbeteren. Maar het bleek een middel dat hun einde in rap tempo dichterbij bracht.
Omdat het criterium werd dat men zich in de gevarenzone voor aids zou bevinden op het moment dat het aantal CD4-afweercellen tot beneden de 200 per mm3 bloed was gedaald, werd een steeds groter aantal gezonde mensen op medicatie gezet. In de Verenigde Staten krijgt sinds 1993 een ieder met deze bloedwaarde – en dus niet vanwege ziekte! - een aids-diagnose. In Europa krijgt men deze diagnose niet op deze grond, maar wel leidt het tot het advies met medicatie te beginnen. Het is, om welke reden men ook officieel aids heeft en ook als men gezond blijft, onmogelijk er ooit nog van af te komen.
Casus 2: Sue Threakall
Wie op zoek gaat naar ervaringen met medicatie, stuit op vele verhalen van mensen die volgens de officiële leer allang dood hadden moeten zijn maar, anders dan degenen die wel met AZT behandeld werden, het ook na tien, vijftien of twintig jaar nog kunnen navertellen zonder een wrak te zijn geworden. Bij wijze van voorbeeld hier het contrast tussen twee personen die beiden hemofiliepatiënt zijn, verteld door de vrouw van één van hen, Sue Threakall:
‘Ik ben 39 jaar oud, heteroseksueel en voorzover ik weet geen drager van hiv. Mijn man, die afgelopen februari overleed, was een ernstige hemofiliepatiënt en in 1985 werd ons verteld dat hij hiv-positief was. Aangenomen werd dat hij het virus in 1983 had opgelopen. (...)
Mijn man verkeerde in een redelijk goede gezondheid, afgezien van sterk opgezette lymfeklieren, en bleef dat gedurende enige tijd. Zijn enige andere gezondheidsproblemen waren aanvallen van neusholteontsteking, koortsuitslag bij de lippen en ook amandelontsteking – klachten die hij altijd al had gehad maar die vaker leken voor te komen. Hij onderging regelmatige bloedtesten om de staat van zijn immuunsysteem te controleren en werd uiteindelijk [1989] op AZT gezet. (...)
Geleidelijk aan verslechterde zijn gezondheid, totdat hij in november 1990 stopte met werken als gevolg van ernstig gewichtsverlies, mondschimmel, maagproblemen, een slecht slaapritme, een pijnlijke mond, aanhoudende bijholte-infecties, zwakte, ademhalingsproblemen, verlies van eetlust enz. Op dat moment schreven wij dit alles toe aan de effecten van hiv, hoewel mijn man, zo bleek, toen aan een vriend vertelde: ‘Neem nooit AZT, het zal je doden.’
Hij werd in februari 1991 in het ziekenhuis opgenomen en stierf drie dagen later – in de war, ijlend, vermagerd, met constante diarree, niet in staat om te slikken en met nauwelijks nog enig longweefsel over.’
Vervolgens schrijft zij over een 39-jarige man, over wie zij zich zorgen maakt. Maar:
‘Afgezien van wat mondschimmel, blijft hij gezond, hoewel de artsen bezorgd waren over zijn lage aantal [afweer]cellen en AZT adviseerden. Hij stemde er mee in dit enige tijd te gebruiken – en het doodde hem bijna. Binnen een paar weken leed hij aan een ernstige pijn op de borst, voortdurend indigestie [spijsverteringsproblemen], verlies van eetlust, gewichtsverlies, gewrichtspijnen, spierpijnen en spierverlies, hoofdpijnen en overgeven. Hij was een heel andere man geworden – totdat hij besloot te stoppen met het nemen van de tabletten. Vanaf dat moment begon hij langzaam terug te keren naar de man zoals we die kenden, met alleen af en toe indigestie.’
Uit ervaringsverhalen als deze blijkt niet alleen wat er gebeurt door AZT-toepassing, maar ook dat herstel mogelijk is als men er mee stopt. Maar voor deze overlevers die de moed hadden de medische autoriteiten te trotseren, heeft het aids-establishment nooit enige belangstelling getoond.
oorsprong en toepassing van AZT
AZT werd in 1964 ontwikkeld door Jerome Horwitz van de Detroit Cancer Foundation in een poging een middel tegen kanker te ontwikkelen. Dat effect bleek het niet te hebben. Integendeel, de muizen die het middel kregen toegediend tegen hun tumoren stierven als gevolg van vergiftiging. Toen 22 jaar later het middel in de procedure voor goedkeuring kwam, nu niet voor kanker maar voor aids, werd van verscheidene kanten gewezen op de mogelijk kankerverwekkende werking ervan. Zo publiceerde de voor de FDA werkzame toxicoloog Harvey I. Chernov in 1986 een rapport waarin hij een dergelijke waarschuwing liet uitgaan en aanbeval het middel niet op de markt toe te laten. De farmaceutische multinational GlaxoSmithKline, toentertijd nog opererend onder de naam Burroughs Wellcome, liet nadat in 1987 de goedkeuring een feit was dit mogelijke gevolg in het midden. Op het etiket van Retrovir – de merknaam van AZT – werd volstaan met de mededeling dat de lange termijneffecten op het mogelijk ontstaan van kanker ‘nog niet bekend’ waren. Intussen is echter duidelijk geworden dat AZT kan leiden tot lymfeklierkanker.
Zoals hierna nog zal blijken, zijn de gevolgen hier niet toe beperkt. Over wat voor middel we het hier hebben, kan alvast worden afgeleid uit het label op een flesje AZT, zoals dat geleverd wordt aan chemische onderzoekslaboratoria – een label dat veelzeggend is voorzien van een doodskop:
’Giftig bij inhalering, in contact met de huid en bij doorslikken. Organen: bloed, beenmerg. Zoek, in het geval van een ongeluk of wanneer je je ziek voelt, onmiddellijk medisch advies (...). Draag passende, beschermende kleding.’
Met deze vernietigende stof meent men aan aids-bestrijding te doen.
Ingezet tegen kanker doodt AZT zowel gezonde lichaamscellen als kankercellen. Moet er te lang mee worden doorgegaan om de kankercellen uit te schakelen, dan zijn intussen zoveel gezonde cellen afgestorven dat het leven van de patiënt in gevaar komt. Dat verklaart waarom de muizen op welke men het middel uitprobeerde, niet van hun kanker afkwamen, maar wel van hun gezonde cellen en er dus aan gingen. AZT was van oorsprong dus een vorm van chemotherapie. Hoe selectiever men die kan toepassen en hoe korter de tijdsperiode en het aantal behandelingen, des te meer kans is er op herstel. De toepassing luistert zo nauw dat, ondanks de enorme geldstroom die in het brede scala van anti-kankerbehandelingen richting chemotherapieën blijft gaan, het saldo neutraal is. Sommigen herstellen erdoor, andere sterven vroegtijdig, zoals in 2004 nog eens werd aangetoond door de epidemioloog Dieter Hölzel: gemiddeld gesproken leidt chemotherapie tot geen dag levensverlenging.
Ingezet tegen hiv heeft AZT dezelfde werking als wanneer er kanker mee wordt behandeld. Dan staat echter al bij voorbaat vast dat de balans naar de negatieve kant zal doorslaan. Er bestaan namelijk geen rustpauzes: men dient het middel elke dag en levenslang te slikken.
AZT en vergelijkbare middelen werken als zogeheten ‘DNA chain terminators’, letterlijk: beëindigers van DNA-ketens in de lichaamscellen. Door het afbreken van deze ketens wordt het onmogelijk gemaakt dat de betreffende cel zich deelt. En zonder celdeling is geen leven mogelijk. Het is de bedoeling om in te grijpen bij geïnfecteerde cellen, maar het aantal daarvan bedraagt naar schatting hooguit 1 op de 500 cellen. De middelen moeten dus gemiddeld 499 gezonde cellen doden om één geïnfecteerde cel uit te schakelen. Het doden van gezonde cellen – wat op den duur het onmogelijk maken van leven betekent – is dus niet een ‘bijwerking’, maar de hoofdwerking. Als bijeffect kunnen dan ook geïnfecteerde cellen worden uitgeschakeld.
Bij dit laatste bijeffect gaat het niet alleen om het hiv-virus. Want hetzelfde proces dat verantwoordelijk is voor het doden van gezonde cellen en van hiv-geïnfecteerde cellen – het blokkeren van DNA-productie – is dat ook voor het uitschakelen van bacteriën die infecties kunnen veroorzaken. In dit laatste ligt de reden waarom mensen die hiv-remmers gebruiken en aan dergelijke infecties lijden, deze kunnen zien verdwijnen. Daarmee worden patiënten opgezadeld met de gevaarlijke illusie dat de verdwijning van deze aandoeningen een (beperkt) herstelproces inluidt.
Het gaat bij dit bijeffect dus om een onbedoeld gevolg dat alleen op de korte termijn werkt, bewerkstelligd door een middel dat helemaal niet bedoeld is om andere ziektes te bestrijden en waarvoor de medische wetenschap andere medicatie kent. Op den duur komen ziekteverschijnselen juist in verhevigde mate terug. Bovendien hebben de meeste mensen niets aan dit bijeffect, omdat de meerderheid van hen bij de start van de behandeling niet ziek is.
Eerder ben ik al eens ingegaan op een aantal aspecten van de tegenwoordige, in 1996 beschikbaar gekomen, combinatietherapie. Ook hier horen we de juichgeluiden die bekend voorkomen uit de AZT-tijd: degenen die al ziek waren, knappen zo geweldig op. Maar ook hier is slechts sprake van een korte termijn effect. De ‘doorbraak’ die deze therapie heet te zijn, is dan ook een illusie. Het enige ‘voordeel’ dat men er in kan zien is dat de dosis AZT - of een vergelijkbaar middel - fiks verlaagd is. Voorspelbaar was dan ook dat wie er aan begon het een stuk langer zou uithouden dan destijds met AZT.
De middelen waarmee AZT wordt gecombineerd, hebben eveneens bijwerkingen. Er blijven zich zeer ernstige ziektes voordoen, waarbij leveraandoeningen de meest prominente plaats innemen. Deze zijn het rechtstreekse gevolg van een overload aan gif dat dit orgaan – de belangrijkste ‘ontgiftingsfabriek’ van ons lichaam – op den duur niet meer kan verwerken. En dan ontstaat een levensbedreigende situatie. De mogelijke gevolgen van deze therapie zijn verder onder meer het ontstaan van suikerziekte, botontkalking, alvleesklieraandoeningen en hart- en vaatproblemen. Dat is geen uitputtende lijst en de verontrustende berichten over bijwerkingen – waarvan de meeste zich immers pas na jaren manifesteren – blijft groeien.
Van belang is tenslotte ook dat medicatie voor hiv-positieven niet beperkt blijft tot aanvankelijk AZT en later de middelen van de combinatietherapie. Immers, wanneer de gezondheidsgevolgen van een belastende leefstijl zichtbaar worden, volgt behandeling met medicijnen tegen de concrete aandoeningen die men heeft. Wanneer een therapie wordt gestart, ontstaan eveneens gezondheidsproblemen, die met extra medicatie behandeld worden.
Door deze permanente behandeling met het ene medicijn na het andere, glijdt het lichaam van menig aids-patiënt af naar de status van een wandelende giffabriek. In de nu volgende overzichten van gezondheidsgevolgen is daar nog niet eens rekening mee gehouden. Het overzicht is beperkt tot de gevolgen van recreatieve drugs en van medicinale drugs voorzover ingezet tegen hiv.
overzicht drugs en aids
Hieronder is schematisch weergegeven wat volgens de medische literatuur de gezondheidsgevolgen kunnen zijn van het langdurig gebruik van vier veel gebruikte drugs en van AZT-medicatie. Bij beide is onderscheid gemaakt tussen aandoeningen die voorkomen op de officiële lijst van aids-ziekten en degene die daar niet toe behoren.
Hierbij is van bijzonder belang dat alle vier de genoemde drugs én AZT leiden tot een verzwakking van het immuunsysteem, respectievelijk aangeduid met ‘verlaagde afweer’ en ‘uitputting van het aantal T-cellen’. Dat laatste wordt gezien als een criterium voor verlaagde afweer. En het is precies deze verzwakking van het immuunsysteem die de kern vormt van aids en waarvan beweerd wordt dat het hiv-virus er de veroorzaker van is.
Opvallend is verder dat de categorie mensen die drugs, in het bijzonder heroïne, injecteert en die de op homoseksuelen na meest getroffen groep vormt, zonder ook maar enige rekening te houden met hiv al ten prooi valt aan een hele reeks aids-aandoeningen. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij cocaïne.
Maar misschien nog wel opvallender is dat de qua gezondheidsschade meest onderschatte drug, poppers, slechts met twee aids-ziektes in direct verband te brengen zijn. Dat zijn echter precies de twee meest voorkomende aids-aandoeningen die homoseksuelen trof bij het ontstaan van aids, namelijk Kaposi’s sarcoma en longontsteking. Veelzeggend is het ook omdat poppers zich ontwikkelden tot een specifieke ‘homodrug’ die zéér overvloedig gebruikt werd – en in afgezwakte mate nog steeds. Het relatieve aandeel van poppers in het ontstaan van aids is dan ook groot.
Een van de vier drugs is amfetamine (speed), dat in toenemende mate de aandacht vraagt omdat de laatste tijd berichten verschijnen over een snelle toename van het gebruik van een sterke en gevaarlijke vorm ervan, methamfetamine of crystal meth. De drug maakt egoïstisch, paranoïde, agressief of zelfs gewelddadig. Ze kan bovendien hersenschade of dementie veroorzaken.
Tenslotte valt op dat én de drugs cocaïne en heroïne én AZT kunnen leiden tot vroeggeboorte, spontane abortus en aangeboren afwijkingen. Hoewel deze officieel niet tot aids worden gerekend, is het dus niet vreemd dat verslaafde en/of met AZT behandelde, aankomende moeders baby’s ter wereld brachten, wier slechte gezondheid vervolgens aan hiv werd geweten.
1. Ziektes door drugsgebruik
cocaïne [c] heroïne [h] poppers [p] amfetaminen [a]
aids-aandoeningen
verlaagde afweer: c – h – p - a
Kaposi’s sarcoma: p
candidainfecties: c - h
longontsteking: c - h - p
afwijkingen in c.q. ontstekingen van de lymfeklieren: c - h
tuberculose: c - h
gewichtsverlies: c - h
dementie, hersenaandoeningen: c - h
diarree: c - h
koorts: c - h
niet-aids-aandoeningen
spontane abortus, vroeggeboorte, aangeboren afwijkingen: c - h
nachtzweten: c - h
impotentie: c - h
ernstige atherosclerose (‘aderverkalking’): a
tandverlies, gaten in kiezen: c - h
huidontsteking: c - h
hepatitis: c - h
epileptische aanvallen: c - h
ontsteking binnenwand van het hart: c - h
bronchitis: c - h
2. Ziektes door toepassing van AZT (en enkele vergelijkbare middelen)
aids-aandoeningen
diarree
dementie
lymfeklierkanker
spierverkwijning
uitputting van het aantal T-cellen
niet-aids-aandoeningen
bloedarmoede
geboortedefecten
aantasting van de vruchtbaarheid
verlies van witte bloedcellen (nodig om infecties te bestrijden)
haaruitval
hoofdpijnen
leverschade
verlies van eetlust
misselijkheid
aandoeningen van het zenuwstelsel
alvleesklierontsteking
beroertes
huidverkleuring
spontane abortus
dood door schuld
In de Verenigde Staten zijn in de periode 1981-1998 in totaal ruim 410.000 mensen aan aids gestorven (in Nederland bedraagt dit aantal tegen de 4.000). Uit de Amerikaanse cijfers wordt enerzijds duidelijk dat de sterfte ver achter ligt bij die voor hart- en vaatziekten (14 miljoen) of kanker (9 miljoen) en zelfs het aantal doden door verkeersongelukken ligt tweemaal zo hoog als die door aids.
Dit betekent dat aids nooit, zoals de twee voornaamste doodsoorzaken, tot een volksziekte is geworden en de onheilstijdingen dat in het westen ‘iedereen risico loopt’ allang zijn gelogenstraft. Anderzijds zijn de gevolgen in termen van menselijk leed zo geconcentreerd in bepaalde sociale groepen dat de sterfte juist weer extreem hoog is, met name onder homoseksuelen waar soms complete vriendenkringen werden uitgedund tot nog maar enkele overblijvers.
Er is sprake van een dramatische onderschatting van wat medicijnen met een mens kunnen doen. In de hierboven genoemde periode stierven in de Verenigde Staten 1,8 miljoen mensen aan de gevolgen van medicijngebruik. Daarmee behoort het, ook in andere landen, tot de belangrijkste doodsoorzaken. AZT is naar alle waarschijnlijkheid de zwaarste medicatie die ooit is voorgeschreven en dat dit middel tot een massale dood zou leiden, hoeft dan ook niet te verbazen.
Het aids-establishment wast echter haar handen in onschuld. Vaak valt te horen dat men toch ‘iets’ moest doen toen zoveel mensen ziek werden en inderdaad is het mogelijk dat men zich dan vergist. Er is echter veel meer aan de hand dan een vergissing. Toen in de loop van de jaren tachtig aids-dissidente wetenschappers, artsen en journalisten de noodklok luidden en direct betrokkenen die zelf wisten te overleven maar hun vrienden zagen sterven zich verenigden – toen deed men niets om het hiv-aids denken of zelfs maar de medicatie ter discussie te stellen. Integendeel: men trad de dissidenten tegemoet met censuur, weigering van onderzoeksgelden en een bovenmatige agressie. Deze tot nu voortdurende, systematische tegenwerking wordt nog altijd glashard ontkend, maar wie kennis neemt van de lotgevallen van wetenschappers als Peter Duesberg, Serge Lang en Gordon Stewart, van journalisten als John Lauritsen, Joan Shenton en Neville Hodgkinson, weet dat dit een onomstotelijk feit is. Duesberg is hiervan het meest sprekende voorbeeld. De man die door zijn grote tegenspeler Robert Gallo eens werd omschreven als ‘that guy that knows more about retrovirusses than anyone in the world’ en altijd van gelden verzekerd was, diende tot negen maal toe uitgewerkte aids-onderzoeksvoorstellen in. Er volgde negen maal een afwijzing.
Deze censuurgeschiedenis, die hier verder niet beschreven kan worden, is onvergeeflijk omdat men er doelbewust het risico mee heeft genomen mensenlevens op het spel te zetten. Men heeft immers de verplichting om kundige mensen met een andere opvatting serieus te nemen. Dat zij systematisch op een zijspoor werden gezet, laat zien dat niet gezondheidsredenen, maar andere beweegredenen de doorslag hebben gegeven. Want hoe kan het toch zijn dat critici van de gangbare opvatting worden afgeschilderd als mensen die vinden dat de aarde plat is en met wie discussie niet zinvol is, als men het tegelijk nodig vindt hen onder curatele te stellen? Het is duidelijk dat men ergens bang voor is.
Er zal een tijd komen dat men, zoals altijd achteraf, zal erkennen dat hier een grootschalige misdaad is gepleegd. Wellicht worden schuldigen aangeklaagd – een noodzakelijke maar schrale troost. Want de doden zullen niet meer opstaan.
|