De AIDS-dokter en de verzekeringsagent
The Perth Group
datum onbekend
Vertaling: Hades
DR: Het spijt je dit te moeten zeggen, maar je antilichamen-test is positief
gebleken.
PT: Zegt U me nou dat ik HIV heb?
DR: Ik ben bang van wel...
PT: Kan de test er niet naast zitten?
DR: Jammer genoeg niet. De tests die we gebruiken zijn extreem gevoelig en
specifiek. Ik heb nog nooit meegemaakt dat de tests het fout hadden.
PT: Dokter, kunt U alstublieft aan me uitleggen waarom deze test zo nauwkeurig
is? En hoe de test werkt?
DR: Natuurlijk. Simpel uitgelegd, heeft de test antilichamen tegen HIV in
je bloed gedetecteerd. De enige manier om deze antilichamen te krijgen, is door
met HIV in contact te komen.
PT: U zei antilichamen “tegen” HIV. Wat bedoelt U daarmee?
DR: Dat wil zeggen dat ze gericht zijn tegen HIV. Toen je lichaam met HIV
in aanraking kwam, registreerde het HIV-proteïnen als lichaamsvreemd. Met
als resultaat dat je immuunsysteem werd aangespoord om een lading antilichamen
aan te maken, die op die specifieke proteïnen reageren.
PT: Maar hoe weet U dan dat die antilichamen er ook echt zijn? Ik bedoel in
mijn lichaam?
DR: Omdat we je bloed hebben gemengd met de proteïnen in de antilichamen-test,
en daaruit kwam een reactie.
PT: Hoe weet je dat er een reactie plaatsvindt?
DR: Omdat we ná het mengen van jouw serum met de proteïnen in
de test, kunnen zien dat het mengsel van kleur verandert. En daarnaast kunnen
we aan de hand van de mate van kleurverandering ook opmaken hoe extreem die reactie
is. Daaruit halen we een cijfer, en dat maakt het behoorlijk objectief.
PT: En met die reactie bedoelt U een chemische reactie?
DR: Ja, het is een chemische reactie. Dat komt omdat de antilichamen in je
bloed de HIV-proteïnen herkennen.De vorm van de antilichamen en de proteïnemoleculen
vullen elkaar aan, ze passen precies in elkaar. Net als een sleutel in een slot.
Daarom is de test specifiek, dat is wat “specifiek” betekent.
PT: Maar dan is dat niet een test voor het eigenlijke virus, of wel? U heeft
de virusdeeltjes niet in mijn bloed gevonden?
DR: Nee, het is niet het eigenlijke virus. Het is een indirecte test. Zoals
ik al uitlegde, is het een test die zoekt naar antilichamen, die worden aangemaakt
in reactie op de aanwezigheid van de virale proteïnen. Daarom noemen we
ze HIV-antilichamen. Maar het virus is er wel degelijk! Er is geen enkele reden
waarom je lichaam anders zulke antilichamen zou produceren.
PT: Dus als U daarnaar zou zoeken, zou U ook de virusdeeltjes vinden?
DR: Misschien, misschien ook niet. Niet per sé in je bloed. Dat zou
heel moeilijk te doen zijn, want om ze te kunnen zien zou je miljoenen deeltjes
moeten hebben. Feitelijk is het nog nooit iemand gelukt om HIV-deeltjes te vinden
in het bloed van een patiënt. Maar we zouden je bloed wél kunnen
gebruiken om een cultuur van het virus te kweken, buiten je lichaam. En dat zou
ook kunnen met bijvoorbeeld een klein stukje van je lymfeklier. Maar dat zijn
technisch veeleisende tests, en bovendien erg duur. En onnodig.
PT: Waar haalt men die HIV-proteïnen vandaan?
DR: Uit HIV, ze vormen het grootste deel van HIV-deeltjes.
PT: Dus ik kan aannemen dat die proteïnen zich nergens anders vertonen?
DR: Inderdaad. Ze behoren specifiek tot HIV.
PT: En U kunt niets anders bedenken, dat mijn immuunsysteem zou kunnen aanzetten
tot het maken van deze antilichamen?
DR: Gezien de verfijndheid van deze tests, en de manier waarop men ze interpreteert,
nee.
PT: Dus U bent er van overtuigd dat mijn lichaam het virus draagt?
DR: Zo zeker als iemand maar kan zijn.
Een week later
PT: Dokter, ik heb wat literatuur doorgespit, en ik heb een paar artikelen
opgezocht in de universtiare bibliotheek. Ik heb ook een paar kopieën voor
U gemaakt.
DR: Ik neem aan dat je nog een paar vragen hebt, waar we het vorige week ook
over hadden? Ik begrijp goed dat dit iets is waar je niet gemakkelijk vrede mee
sluit.
PT: Om eerlijk te zijn ben ik behoorlijk in verwarring gebracht. Ik wil graag
weten wat U denkt. U vertelde me vorige week bijvoorbeeld, dat de HIV-proteïnen,
die proteïnen die mijn bloed testen op antilichamen, alleen in HIV voorkomen
en nergens anders.
DR: Dat klopt.
PT: Hier is een document wat ik heb gevonden. Het heet “HIV proteins
in normal human placentae”(1). Het is geschreven door een groep wetenschappers
die weefsel uit placenta’s van verschillende gezonde, zwangere vrouwen
hebben getest met antilichamen tegen vier van de HIV-proteïnen. Ze vonden
drie HIV-proteïnen in vrouwen die niet waren besmet met HIV. Die proteïnen
waren p18, p24 en p120. En hier is nog een artikel, het heet: ”Monoclonal
antibodies to the Human Immunodeficiency Virus p18 crossreact with normal human
tissues”(2). In dit document wordt verteld dat HIV-proteïne p18 werd
gevonden in de zwezerik, en amandelen en hersenen van mensen die niet zijn geïnfecteerd
met HIV. Bent U bekend met deze documenten?
DR: Nee sorry, ik heb dit nooit eerder gezien. En ik zou ze moeten lezen voor
ik er een commentaar op kan geven.
PT: Dan zult U er heel wat moeten lezen. Hier is nog een document, waar het
bloed van vijf HIV-negatieve patiënten op cultuur werd gezet, en weer werd
de p24 proteïne gevonden. Ik heb ook nog een document over p32. En verschillende
andere documenten die voorgaande documenten bevestigen (1-7, 8, 9-16). Ik ben
geen deskundige, maar het lijkt mij dat, als de antilichamen die zijn gebruikt
in deze experimenten, dezelfde antilichamen zijn die zich in AIDS-patiënten
bevinden, of bijvoorbeeld in mij, én ze herkennen specifiek de HIV-proteïnen,
dat ze dan niets zouden moeten registreren in bloed of weefsel van HIV-negatieve
mensen. Wat is er dan aan de hand, dokter?
DR: Je trekt de verkeerde conclusie. De HIV-proteïnen zijn niet aanwezig,
dat lijkt alleen maar zo. Zoals je tweede document al in de titel aangeeft, kunnen
de antilichamen een kruisreactie geven met sommige gewone menselijke proteïnen.
Dat gebeurt bijvoorbeeld in de hersenen.
PT: Maar de antilichamen die ze gebruikt hebben in deze experimenten moeten
toch specifiek zijn? Ze herkennen toch specifiek HIV, en niets anders dan HIV?
DR: Toen ik je vorige week de test uitlegde heb ik gezegd dat het een simpele
uitleg was die ik je gaf.
PT: Allemaal prima, maar hoe kunnen deze antilichamen nou reageren in gezonde
mensen? Als er geen simpel antwoord is, is er dan een ingewikkeld antwoord?
DR: Wat deze documenten beschrijven is niet vreemd of mysterieus. En het is
ook geen geheim. Het probleem is, dat antilichamen niet altijd 100% specifiek
zijn. Soms kunnen en zullen ze reageren met andere dingen naast die, waarvoor
ze bedoeld zijn. Dat is wat kruisreactie inhoudt.
PT: Vertel je me nu dat antilichamen een reactie kunnen geven op andere dingen
dan HIV?
DR: Ja.
PT: Dus als een antilichaam met iets reageert, is dat geen bewijs dat het
een reactie is op dat bedoelde iets?
DR: Dat hoeft niet per sé, nee.
PT: Zijn HIV-antilichamen de enige antilichamen die een kruisreactie kunnen
geven?
DR: Nee, theoretisch kan elk antilichaam een kruisreactie geven. Dat is niet
iets dat beperkt blijft tot één type antilichaam.
PT: Nou, als HIV-antilichamen kunnen kruisreageren met proteïnen die
niet van HIV zijn, bijvoorbeeld in de hersenen, waarom kunnen nonHIV-antilichamen
dan niet kruisreageren met proteïnen waarvan U zegt dat ze aan HIV toebehoren?
DR: In theorie kunnen ze dat wel.
PT: En in de praktijk?
DR: Ja, dat kunnen ze. Dat staat in de literatuur beschreven.
PT:Maar hoe weet U dan dat de antilichamen in mijn bloed, diegenen die een
reactie gaven in mijn afgenomen test, zijn aangemaakt als reactie op HIV, en
niet op iets anders?
Een week later
DR: Ik begrijp dat dit allemaal nogal wat stress oplevert. Dus ik heb wat
extra tijd ingepland om de tests helemaal door te lichten.
PT: Dat stel ik zeer op prijs dokter. We hadden het over kruisreacties.
DR: Ik weet het. Okee. En laat het me weten als het te ingewikkeld voor je
wordt.
Soms reageren antilichamen van één proteïne met een andere,
daarvan verschillende proteïne. Dat kan gebeuren omdat het stukje sleutel,
wat aan de proteïne zit en waarop het antilichaam reageert, en het antilichaam
zelf toch goed genoeg passen om een reactie te veroorzaken. Ook al horen ze niet
bij elkaar, en zijn ze niet 100% passend.
PT: Ik snap het.
DR: Nu werd in 1985, toen de HIV-tests werden ontworpen, en het testen zelf
nog in de kinderschoenen stond, ontdekt dat sommige mensen die niet geïnfecteerd
zijn met HIV, antilichamen bij zich dragen die reageren met één
of zelfs meer van de HIV-proteïnen.
PT: Maar dat was niet een infectie?
DR: Nee, dat waren kruisreacties.
PT: Hoeveel mensen overkomt dat?
DR: Dat varieert, hangt af van de documenten die je leest. Maar in een type
test die we afnemen, de Western Blot, kan dat oplopen tot 25%. Het is zeker minstens
15%. Het 25% aantal is afkomstig uit Australië, uit studies op gezonde bloeddonoren.
PT: En die mensen zijn definitief níet besmet met HIV?
DR: Nee, ze zijn niet geïnfecteerd.
PT: Hoe weet je dat? Hoe weet je dat ze niet de echte HIV-antilichamen bij
zich dragen?
DR: Omdat deze mensen niet tot een risicogroep behoren. En ze zijn gezond
en blijven dat ook. Ze ontwikkelen geen AIDS. En als ze bloed doneren, krijgen
de ontvangers van dat bloed ook geen AIDS.
PT: En het kan natuurlijk onmogelijk zo zijn, dat 25% van de bevolking is
geïnfecteerd met HIV?
DR: Precies. Als dat zo zou zijn, kan ik me amper inbeelden hoeveel ziekenhuizen
er nodig zouden zijn om al die mensen te kunnen behandelen.
PT: En om HIV zo verspreid te krijgen, zou het leven dus één
grote orgie moeten zijn?
DR: Dat is prima verwoord.
PT: Maar die antilichamen moeten toch ergens vandaan komen?
DR: Dat is waar. Iets is er verantwoordelijk voor. En vaak is het moeilijk
te zeggen wat. Alhoewel het niet echt belangrijk is dat te weten. Misschien worden
ze veroorzaakt door één of andere ziekte, of door blootstelling
aan factoren in het milieu, de omgeving. Maar wat het ook is, het is geen HIV.
PT: Ik snap het.
DR: Nou zei ik hiervoor, dat er een manier is om de echte HIV-antilichamen
te onderscheiden van die anderen.
PT: Ja dat kan ik me herinneren. Het kaf van het koren scheiden?
DR: Dat is een prima analogie. Ik zal je vertellen wat er gebeurt. De eerste
test die we doen, heet de ELISA-test. Die staat bekend als een screeningtest.
In die ELISA testen we je bloed op alle proteïnen van HIV. Allemaal door
elkaar. Dat zijn overigens ongeveer tien proteïnen. Dus hebben we alle proteïnen
in één reageerbuisje, en daar voegen we een paar druppels van je
bloed aan toe, zonder de rode bloedcellen. Anders zien we alleen maar de kleur
rood, en verder niets. Dus voegen we het serum toe waarin antilichamen zich bevinden,
en niet het “complete” bloed. Als er een reactie plaatsvindt, verandert
het mengsel van kleur, dat kunnen we waarnemen. Zoals ik al eerder zei, meten
we de mate van reactie af, door middel van een lichtstraal die door de oplossing
heen wordt geschenen.
PT: Met de spectrofotometer?
DR: Ja. Je hebt blijkbaar veel gelezen.
PT: Ik heb ook twee jaar scheikunde gevolgd.
DR: Okee. Maar er is een probleem met de ELISA. Het is niet zo heel specifiek.
Tenminste niet specifiek genoeg. We kunnen niet gewoon één ELISA
afnemen en je vervolgens recht in de ogen kijken, om je te vertellen dat je geïnfecteerd
bent. Dat zou niet worden geaccepteerd worden als “juiste handeling” in
dit vak.
PT: Maar waarom gebruik je de test dan?
DR: Omdat het de meest gevoelige test is. Daar bedoel ik mee, dat het gegarandeerd
elk los antilichaam oppikt, die iemand maar bij zich kan dragen-maar tegen een
prijs. De test heeft ook de neiging nonHIV-antilichamen op te pikken. Om jouw
analogie te gebruiken, pakt de test al het koren, tot de laatste korrel, maar
ook een beetje kaf. Dat wil zeggen: antilichamen die niet bij HIV horen.
PT: Dan snap ik nog steeds niet waarom U de test gebruikt.
DR: We gebruiken de test om mensen te screenen. Dat werkt als volgt: als de
ELISA negatief is, betekent dat dat er geen antilichamen zijn aangetroffen, HIV
of nonHIV. Dus is de persoon niet geïnfecteerd. In dat geval stopt de procedure
op dat moment. In die zin is het dus een zeer nuttige test, om de eerste stap
te doen, en te bepalen of er een vervolgtest moet komen. Het wordt veel gebruikt
om donorbloed te testen. De meeste mensen die bloed willen doneren, hebben een
negatieve ELISA-uitslag. In feite zijn de meeste mensen negatief. Punt.
PT: En wat nou als een donor positief test?
DR: Dan moeten we dieper graven. Maar voor de bloedbank is dan meteen duidelijk
of ze iemands bloed wel of niet kunnen gebruiken. Het is snel en simpel.
PT: Maar wat gebeurt er nou met de bloeddonor die positief op de ELISA test?
DR: Als de bloedbank een positieve test op een donor vindt, dragen ze de zaak
over aan een erkend laboratorium om verdere tests uit te voeren. Zoals ons laboratorium.
Dat is feitelijk ook de wet in dit land, niet elke persoon of elk laboratorium
is toegestaan verdere tests uit te voeren. Vanaf daar is het eigenlijk hetzelfde
als in jouw geval. We graven dieper door nog een test te doen. En die test verschilt
van de ELISA. In de meeste landen van de wereld wordt voor de tweede test de
Western Blot gebruikt. Het verschil is, dat in de Western Blot de tien HIV-proteïnen
niet door elkaar worden gemengd, maar ze zijn afzonderlijk van elkaar op een
strip papier geplaatst van ongeveer een halve centimeter breed. Op die manier
kun je precies aantonen welke HIV-proteïnen reageren, of zo je wilt, welke
antilichamen je hebt tegen welke proteïnen.
PT: Hoe lees je een Western Blot af?
DR: Met het oog. Elke plaats waar antilichamen reageren met proteïnen,
daar verkleurt de strip. Dus krijg je een strip met een serie gekleurde stippen.
Die noemen we banden. De laboratoriumtechnicus kijkt naar de strip en noteert
de namen van de banden die oplichten. Elke band wordt benoemd met een “p” voor
proteïne, en dan een nummer dat staat voor het moleculair gewicht in duizenden,
van dat type proteïnen. Maar dat had je vast al ontdekt.
PT: Op welke manier bevestigt het aantal banden, of iemand geïnfecteerd
is of niet?
DR: Nou, je hebt misschien maar één band, misschien heb je er
tien. Als je maar een paar banden hebt, dan heb je bijna zeker te maken met kruisreacties.
Maar als je er vier of meer hebt, dan is je test positief en ben je dus geïnfecteerd.
En als je geen banden hebt, ben je vanzelfsprekend negatief en dus niet geïnfecteerd.
PT: Dus de Western Blot wordt gebruikt om uit te vinden of de ELISA het goed
had of ernaast zat?
DR: Ja, we noemen de Western Blot een bevestigende test.
PT: En weten welke banden een persoon heeft, onderscheidt echte antilichamen
van de kruisreacties?
DR: Ja. We weten dat antilichamen van HIV bijzondere patronen in de banden
veroorzaken. Net zoiets als een lotto-formulier. Bepaalde combinaties betekenen
onveranderlijk een prijs, en andere combinaties doen dat niet.
PT: Wat laat mijn Western Blot zien? Welke banden heb ik?
DR: Je hebt de antilichamen tegen p41, p24, p32 en p18. Dat zijn vier banden
en het is ook één van de verschillende mogelijke bandpatronen die
voor een positieve uitslag zorgen.
PT: Ik snap nog steeds niet hoe je kan weten dat sommige bandpatronen door
HIV worden veroorzaakt en andere patronen niet.
DR: Okee, vertel me maar wat je niet snapt.
PT: Ik vroeg hoe iemand weet dat bloeddonoren die één of twee
antilichamen hebben, niet geïnfecteerd zijn met HIV. U zei dat dat komt
omdat ze niet ziek zijn of niet tot een risicogroep behoren.
DR: En ze ontwikkelen geen AIDS.
PT: Okee. Maar als ik maar één band op de Western Blot zou hebben,
zou U zeggen dat dat niet een HIV-antilichaam was?
DR: Je kan tot drie banden hebben, die niet worden veroorzaakt door HIV-antilichamen,
of de kansen zijn erg klein. Het kan natuurlijk ook dat je niet al je antilichamen
hebt geproduceerd, omdat je in een vroeg stadium van je infectie zit, vlak nadat
je geïnfecteerd bent. Bij sommige mensen kan het wel een paar maanden duren
voordat al hun antilichamen zich laten zien. De banden verschijnen niet tegelijkertijd.
Het wordt de “window-period” genoemd.
PT: Ik zou dus zoveel als drie antilichamen kunnen hebben, terwijl ik niet
ben geïnfecteerd?
DR: Ja, inderdaad, en zolang je er niet meer krijgt.
PT: Dus ik kan drie banden hebben zonder geïnfecteerd te zijn met HIV,
en de volgende patiënt die U vandaag spreekt kan diezelfde drie banden hebben,
plus één extra. En die extra band zorgt dan voor een patroon, waarvan
U zegt dat die wordt veroorzaakt door “echte” HIV-antilichamen.
DR: Dat is heel goed mogelijk.
PT: Ik snap het niet. Waarom zou juist die ene extra band “echt” zijn,
en die andere drie niet? Hoe kan een aantal of combinatie vaststellen welke antilichamen
echt zijn en welke niet? Als je drie stukken fruit hebt, en dat zijn géén
appels, en je voegt er als vierde een appel aan toe, dan heb je toch ook niet
opeens vier appels?
DR: Nee, dat klopt. Maar we hebben bewijs. We weten welke bandpatronen worden
veroorzaakt door HIV, omdat we hebben geanalyseerd welke groepen van banden onderscheid
maken tussen mensen met AIDS en mensen die gezond blijven. Zo ingewikkeld is
het niet.
Een week later
PT: Ik heb nagedacht over wat U heeft gezegd, en het spijt me wel, maar ik
heb nog steeds problemen met het hele gebeuren.
DR: Dan hebben we het daar over. Barst maar los.
PT: Ik heb een neef in de VS die voor een biotechnologisch bedrijf werkt.
Hij verkoopt antilichamen-testkits aan verschillende ziekenhuizen in New York.
Hij heeft me verpakkingsbijsluiters gefaxt van de ELISA en de Western Blot, van
elk één. En die heb ik afgelopen week goed doorgelezen.
DR: En wat stond er allemaal in?
PT: Ze bevestigen wat U zei. Met een ELISA kun je onderscheid maken tussen
mensen met AIDS en gezonde mensen. Als je een combinatie toepast zoals U zei,
ELISA met daaropvolgend Western Blot, dan is het onderscheid zo goed als perfect.
DR: Maakt dat dan geen einde aan je twijfel?
PT: Misschien, misschien ook niet.
DR: Maar wat is dan het probleem?
PT: De biotechnologische bedrijven willen hun tests zo specifiek mogelijk
hebben. Met andere woorden, ze willen niet dat hun test reageert met iemand die
niet HIV-geïnfecteerd is. En ik denk de doktoren ook niet, en de patiënten
al helemaal niet. Dus, zoals U zei, proberen ze hun tests uit op gezonde bloeddonoren.
Om te zien hoe goed ze zijn. Ze nemen aan, en ik denk dat dat terecht is, dat
dat soort mensen niet veel kans hebben AIDS te krijgen of geïnfecteerd te
raken.
DR: Dat klopt. Het is extreem onwaarschijnlijk dat zij geïnfecteerd raken
met HIV. Dat is keer op keer bewezen bij miljoenen tests bij bloedbanken.
PT: Ja dokter, maar als de biotechnologische bedrijven hun eigen tests uittesten
op bloeddonoren gaan ze nog een stapje verder. Ze definiëren de donoren
daadwerkelijk als niet-geïnfecteerd. De World Health Organisation doet hetzelfde.
DR: Klopt.
PT: Nou, dat is dus één van de problemen. Als ik lees over gezonde
bloeddonoren, niet in een risicogroep zittend en wat al nog niet meer, vraag
ik mezelf af wie die mensen dan zijn? Waar wonen ze? Waar brengen ze hun vrije
tijd door? En weet U aan wie me dat allemaal deed denken?
DR: Nee.
PT: Het deed me denken aan mij. Ik ben gezond. Mijn vrienden vertellen me
met regelmaat dat ik er goed uitzie. Ik heb me alleen laten testen omdat ik een
levensverzekering nodig had. Ik ben niet homosexueel, geen hemofiliepatiënt,
ik heb nog nooit drugs aangeraakt, en ik heb geen wisselende sexuele contacten.
Ik ben geen braaf jochie geweest, maar sinds ik ben getrouwd, is mijn vrouw mijn
enige sexuele partner. En omdat we een gezin wilden stichten heeft mijn vrouw
een paar maanden geleden, zonder mijn medeweten, een HIV-test laten doen. En
die was negatief.
DR: Wat wil je daarmee zeggen?
PT: Dokter, ik zou prima in zo’n groep kunnen zitten die testfabrikanten
aantrekken om hun tests op uit te proberen. En als ze me zouden testen zou ik
positief worden bevonden, natuurlijk, maar ze zouden me ook vantevoren al als
niet-geïnfecteerd hebben gedefinieerd. In mijn ogen is dat een vals-positieve
uitslag, denkt U ook niet?
DR: Om eerlijk te zijn denk ik dat je in de ontkenningsfase zit. Geloof me,
ik wil je niet in een hoek drijven, maar dat is wat veel mensen voelen als het
nieuws slecht is. Realiseer je je dat er andere tests zijn om deze kwestie duidelijker
te krijgen?
PT: U bedoelt de Viral Load test?
DR: Ja.
PT: Maar volgens mijn bijsluiters doen de WHO en de fabrikanten van de tests
dat niet. Ze gaan de antilichamen-positieve mensen niet nog eens testen met Viral-Loadtests.
Dus waarom zou U dat wel bij mij doen?
DR: Om je gemoed gerust te stellen?
PT: Ik sprak vanochtend met een man in de wachtkamer, en die vertelde me dat
hij sinds 1987 positief op antilichamen testte. Zijn eerste Viral Load werd pas
afgenomen in 1992, en ik weet dat ze die nog niet hadden in 1987. Deze man had
dus niet een Viral Loadtest om te kijken of zijn positieve uitslag wel klopte,
tot 1992. Hij moest het hebben van zijn medicijnbehandeling. Als men in 1987
geen Viral Loadtest nodig had om zijn diagnose te bevestigen, waarom dan nu,
in 2004, bij mij wel?
DR: Omdat de meeste mensen die in onze kliniek komen, verdomd goeie redenen
hebben waarom ze zijn geïnfecteerd. Hun gevallen zijn zo klaar als een klontje.
Ik ben er zeker van dat je na al je studiewerk niet verrast zult zijn van het
feit, dat de meesten van onze patiënten homosexueel of drugsverslaafd zijn.
PT: Maar U vertelde me drie weken geleden dat ik geïnfecteerd ben met
HIV. U heeft niet gezegd dat ik een ingewikkeld geval ben. U heeft niet gezegd
dat ik nog een test nodig had om mijn antilichamen zo gezegd “op een rijtje
te krijgen”. En als ik vijftien jaar geleden bij U had aangeklopt met een
positieve uitslag, voor de Viral Loadtest bestond, dan had U me vast niet verteld
dat ik niet geïnfecteerd was. Want dat is met de man in de wachtkamer ook
niet gebeurd. En als ik of het internet er niet waren geweest, zouden we dit
gesprek niet eens voeren. En ik begrijp goed wat U zegt over homosexuele mannen
en drugsgebruikers-maar in mijn ogen maakt dat het probleem alleen maar groter.
DR: Ik krijg de indruk dat jij wel heel ongebruikelijk informatief materiaal
leest.
PT: Alles wat ik heb gelezen staat op PubMed. Het placenta-document heb ik
gevonden door “HIV p24 protein” in te voeren. En daar was het, met
nog 3000 resultaten. Dus er zat aardig wat werk in. Ik neem aan dat artsen hun
medische literatuur ook op PubMed zoeken? En dat de documenten worden beoordeeld
door middel van “peer review”?
DR: Dat klopt, maar waarom zeg je dat het probleem erger is bij homosexuele
mannen en drugsgebruikers?
PT: Ik ben een verzekeringsagent. Ik heb papiertjes in hogere wiskunde. Van
Oxford. Ik ben zes jaar geleden naar Australië gekomen omdat mijn vrouw
een forensisch wetenschappelijk expert is, en ze werd uitgenodigd door jullie
National Crime Commission. Mijn werkgebied is statistieken. Ik begrijp waarschijnlijkheden
en dat soort dingen. Daar wordt ik voor betaald. Als U me een paar dingen over
uzelf vertelt, kan ik U vertellen wat uw kans is om ziek te worden aan ongeacht
welke ziekte, en hoelang U zult leven. En mocht U het willen weten, de kans dat
uw vrouw U overleeft, met hoeveel jaar als dat moet.
DR: Ik twijfel niet aan je deskundigheid op je werkgebied. Maar het lijkt
erop dat je mijn deskundigheid wel in twijfel trekt. Vertel me nou alstublieft
welke problemen je ziet bij homosexuele mannen en drugsgebruikers.
PT: U zegt me dat elke antilichaam-molecuul kan kruisreageren. Het kan een
proteïne uitzoeken waar het niet voor is bedoeld. Dus laten we aannemen
dat elk individueel antilichaam-molecuul een zekere waarschijnlijkheid heeft
om te kruisreageren. Ik heb geen idee wat die waarschijnlijkheid is, U wel?
DR: Nee, over waarschijnlijkheden daarover is denk ik geen data beschikbaar.
PT: Okee, maar als gezonde mensen met een normaal aantal antilichamen 25%
kans op reactie hebben met één van de tien HIV-proteïnen,
dan kan die mogelijkheid niet klein zijn. Stel dat een gezond persoon tienduizend
verschillende antilichamen heeft, en het doelwit bestaat uit tien HIV-proteïnen,
dan zijn er honderdduizend mogelijke combinaties om uit te proberen. Heel veel
sleutels en sloten. Als je het aantal antilichamen verdubbelt, heb je al tweehonderdduizend
combinaties. En dat zijn alleen nog maar cijfers. Ik weet niet hoe variatie deze
wiskunde beïnvloedt. Dus hoe meer antilichamen je hebt, en aan hoe meer
dingen je wordt blootgesteld, hoe waarschijnlijker de kans dat je een antilichaam
genereert dat ergens in deze testen kan kruisreageren. Of wat voor test dan ook.
En dat is het probleem, tenminste zo zie ik dat.
DR: Dat zul je me moeten uitleggen.
PT: Laten we onszelf eens afvragen welke mensen meest waarschijnlijk het grootste
aantal en de grootste variatie van antilichaam-moleculen hebben. Over het algemeen.
We kunnen er toch zeker van zijn dat de mensen in de AIDS-risicogroepen bovenaan
de lijst staan? Wat denk je, met al die ziektekiemen en lichaamsvreemde substanties
waar homosexuele mannen en drugsverslaafden aan worden blootgesteld? En hemofiliepatiënten
die infusen krijgen met lichaamsvreemde proteïnen die afkomstig zijn van
duizenden bloeddonoren. En wat denk je van Afrikanen? Die hebben allerhande ziekten,
zoals TBC, parasitaire -en schimmelinfecties, die ook weer antilichamen genereren.
En de organismen die deze ziekten veroorzaken worden toevallig ook nog gerepresenteerd
in de lijst van meest voorkomende AIDS-definiërende ziekten bij westerse
AIDS-patiënten. Die eigenlijk helemaal niet uit Afrika komen. Dus de groepen
mensen met de grootste waarschijnlijkheid op het hebben van kruisreagerende antilichamen,
antilichamen die de tests in verwarring brengen, zijn dezelfde groepen waarvan
U zegt, dat de tests er amper fouten in maken. Dat plaatje klopt dus gewoon niet.
Ik zou zeggen dat het een wonder mag heten, als ook maar één van
de antilichamen in AIDS-patiënten daadwerkelijk aan HIV toebehoort.
DR: Ik volg werkelijk je logica niet. Je zei me dat bijsluiters van de laboratoriumtests,
die je van je neef hebt gekregen, bevestigden dat de tests onderscheid maken
tussen patiënten met AIDS en gezonde mensen, toch?
PT: Ja, daar zijn we het over eens. En we zijn het erover eens dat ze dat
accuraat doen.
DR: Maar dan is het toch duidelijk, dat als een positieve antilichamentest
onderscheid maakt tussen AIDS-patiënten en gezonde mensen, HIV betrokken
moet zijn in de ene groep, de AIDS-patiënten? En niet in die van de gezonde
mensen?
PT: Waarom?
DR: Omdat HIV AIDS veroorzaakt. Als de test onderscheidt wie wel en wie niet
AIDS heeft, dan maakt het automatisch onderscheid tussen het hébben van
de óórzaak van AIDS en het níet hebben van die oorzaak van
AIDS. En die oorzaak is HIV. Het is gewoon een andere manier om hetzelfde te
zeggen. Het maakt niet uit hoe je het zegt.
PT: Dat kunt U er niet zomaar uit afleiden dokter.
DR: Waarom niet? Het kan niet op een andere manier. Behalve als je zegt dat
HIV niet de oorzaak is van AIDS. Dat suggereer je toch zeker niet? Niet serieus?
Heb je soms van die dissidente rotzooi op internet gelezen?
PT: Heeft Ú die rotzooi gelezen dokter?
DR: Nee natuurlijk niet! Luister, dit loopt uit de hand. Er zijn belangrijke
dingen die we moeten bespreken, en hoe sneller we dat doen hoe beter. We lijken
nu stuk te lopen op iets wat helemaal geen discussiepunt zou moeten zijn. Ik
respecteer het recht dat je hebt om vragen te mogen stellen, en ik heb mijn best
gedaan om je vragen te beantwoorden, maar blijkbaar is dat voor jou niet genoeg.
Misschien praat je liever met één van mijn collega’s?
PT: Nee dokter, dat is niet nodig. Ik heb alle vertrouwen in U, en deze kliniek,
en een andere arts zorgt alleen maar voor meer verwarring. Weet U wat, we stoppen
er voor vandaag mee, en ik probeer dan de dingen een beetje op een rijtje te
krijgen voor onze volgende afspraak.
DR: Prima, want we moeten zeker door.
Een week later
PT: Dokter, ik denk dat ik nu weet, hoe ik mijn wantrouwen kan verwoorden.
DR: Nou, daar ben ik erg blij om.
PT: Ik wilde het hebben over tests in het algemeen. Bijvoorbeeld wat verzekeringsagenten
doen. Het is niet zo verschillend van onze vorige discussie.
DR: Prima.
PT: Verzekeringsagenten zijn geïnteresseerd in hoe lang mensen leven.
Ofterwel, wanneer ze doodgaan. Dus verzamelen we gegevens over grote groepen
mensen die iets gemeen hebben. Mensen die bijvoorbeeld hartziekten of diabetes
hebben. We proberen uit te vinden of het hebben of niet hebben van zo’n
ziekte invloed heeft op de kansen, dat iemand nog leeft of niet op een bepaalde
datum in de toekomst. Op een vrij statistieke manier natuurlijk.
DR: Ga door.
PT: Wat wij doen lijkt op jullie antilichamentests en AIDS. Jullie nemen mensen
mét of zónder een positieve antilichamentest, en laten dat contrasteren
tegenover het hebben van risico op AIDS, het hebben van AIDS, of gewoon het gezond
zijn.
DR: Ja, klopt.
PT: Nou is dát het punt, waarvan ik denk dat het medisch specialisme, óf
de wetenschappelijke laboratoriummedewerkers, of wie dit soort dingen ook beslist,
iets te ver voorbij hun gegevens hebben gekeken. De uitkomst waar verzekeringsmensen
om zoeken, is of iemand dood is of leeft. En één van die “tests” die
we gebruiken, is welke ziekten iemand heeft of niet, op verschillende tijdstippen
voor ze doodgaan. Dus onze tests zijn ziekten, en onze uitkomst is overlijden.
Helder en strak. Je bent dood of je bent het niet.
DR: Ga door.
PT: We gebruiken geen vervanging voor dode lichamen. We tellen de overlijdensadvertenties
in de krant niet. We betrekken de houtaanvragen van begrafenisondernemers niet
in de uitkomst. Of hoe veel kleiner de bossen worden. We doen geen navraag over
het aantal afgezegde pensioenen. We gaan meteen naar de kern van de zaak.
DR: Okee.
PT: Als het op antilichamentests aankomt, laten de medische wetenschappers
de kern liggen.
DR: Ik volg je niet.
PT: U zei dat antilichamentests een HIV-infectie diagnosticeren.
DR: Dat klopt.
PT: Maar daarvoor heeft U geen bewijzen geleverd. Wat U beschrijft is een
test voor AIDS. Want U zei dat men daar antilichamen van meet. De biotechnologische
bedrijven en de WHO zeggen het ook. U heeft een HIV-test, maar gebruikt die om
AIDS te meten.
DR: Maar ik heb al uitgelegd dat....
PT: Weet ik. U zei dat je AIDS kan gebruiken als een benaming voor HIV. En
geen AIDS hebben is hetzelfde als geen HIV hebben. Maar ik denk niet dat U dat
kunt zeggen.
DR: Waarom niet?
PT: Om verschillende redenen. Ten eerste: AIDS is niet hetzelfde als HIV.
Ze zijn totaal verschillend. AIDS is dertig ziekten, en van HIV wordt aangenomen
dat het een virus is. Ten tweede: de AIDS-ziekten zijn er al honderden jaren,
misschien wel duizenden jaren. Lang vóór we AIDS hadden. Er wordt
in de Ebers-papyrus al een melding gemaakt van Kaposi Sarcoom. In een papyrus
uit het Oude Egypte, gedateerd op 2500 voor Christus. Dus als HIV echt een virus
is, en inderdaad de AIDS-ziekten veroorzaakt, kan het niet de énige oorzaak
zijn. Het is dan geen unieke oorzaak. En dan is er bijvoorbeeld Tuberculose,
dat is gevonden in egyptische mummies. Zou U egyptische mummies gebruiken om
HIV aan te duiden?
DR: Dit wordt met de minuut belachelijker....
PT: Je kan AIDS vervangen door HIV, als de énige oorzaak van die dertig
ziekten inderdaad HIV is, en alleen dán. Maar dat is dus niet zo. Daar
kunt U niet omheen. Als U HIV wilt vervangen door AIDS, dan kunnen verzekeringsagenten
overlijden vervangen door het aantal afgezegde pensioenen.
DR: Wacht even...
PT: De logica die volgens mij ook niet klopt, is het gebruik van een antilichamentest
als deel van een AIDS-diagnose. Als een positieve antilichamentest gelijk staat
aan het hebben van AIDS, dan spreekt het voor zich dat er perfecte correlatie
is tussen AIDS en die antilichamen, waar ze ook vandaan komen en wat ze ook zijn.
Maar dat zou een door mensen gecreëerde correlatie zijn.
DR: Kijk, we mogen dan nu we AIDS diagnosticeren aan de hand van een antilichamentest,
maar dat deden we niet toen de HIV-tests werden ontwikkeld. Diagnoses werden
bevestigd aan de hand van AIDS. Een klinische diagnose van AIDS, en daarmee bedoel
ik de medische geschiedenis van de patiënt en onderzoek, en een paar tests
zoals röntgenfoto’s. Maar geen antilichamentests. Maar als we wél
zo’n antilichamentest gebruikten, bijvoorbeeld als experiment, kwamen we
erachter dat alle AIDS-patiënten deze antilichamen droegen. En heb je ze
niet, dan heb je geen AIDS. En dat bleek keer op keer het geval. En dat is waarom
antilichamentests nu gebruikt worden voor de diagnose.
PT: Dokter, dat bewijst níet dat die antilichamen worden veroorzaakt
door HIV. Het bewijst alleen maar dat AIDS-patiënten bepaalde antilichamen
hebben, die reageren met de proteïnen in de tests. Waarvan U zei dat het
heel goed kruisreacties kunnen zijn, en dus niet HIV. Dus heb je een bloedtest
voor AIDS. Of een bloedtest die voorspelt dat er een vergrote kans is, dat je
ziek wordt van bepaalde aandoeningen. Als dat de bedoeling is, prima. Maar dat
is niet hetzelfde als bewijzen en aantonen dat de antilichamen worden veroorzaakt
door een virus.
DR: Sorry???
PT: Er is meer dokter. Ten derde: Ik suggereerde even terug, dat ik misschien
een geval van vals-positief was. U was het daar niet mee eens. Dat betekent dat
U het links én rechts vandaan haalt. Als biotechnologisch bedrijf wilt
U dat mensen als ik dienst doen als HIV-vrije proefpersonen. Dat staat in de
bijsluiters. Die van mij zegt: “Random donors are assumed to have a zero
prevalence of HIV antibody”. Dus dat is de regel. Als je zo’n regel
vaststelt, moet je je daar aan houden. En dat betekent, dat je iedereen in díe
groep die positief test, moet registreren als vals-positief. Maar diezelfde persoon
komt de vogende dag hier in uw kliniek, en is dan opeens wél geïnfecteerd.
Dan kan goed op mij van toepassing zijn.
DR: Ik denk dat je onderzoek je behoorlijk in verwarring heeft gebracht.
PT: Dit is wat ik ervan begrepen heb: als de biotechnologische bedrijven én
de WHO graag mensen zonder AIDS en gezonde mensen in HIV-vrije testgroepen willen
hebben om hun tests te verifiëren, dan kan er geen HIV-epidemie zijn.
DR: Hoe kom je in godsnaam tot díe conclusie!?!
PT: Omdat de meeste mensen op aarde die positief testen, geen AIDS hebben
en in feite bijna allemaal gezond zijn.
DR: Probeer je me wijs te maken dat al die mensen, miljoenen, 30% van sommige
afrikaanse landen, níet zijn geïnfecteerd met HIV? Ze zijn vals-positief?
PT: Dat probeer ík U niet wijs te maken. Ik trek mijn conclusies aan
de hand van regels die de WHO en U aanbevelen en goedkeuren. Ik heb die regels
niet bedacht. Ik zeg alleen maar dat U zich aan die regels moet houden.
DR: Anders nog iets?
PT: Heeft U wel eens zo’n testbijsluiter gelezen?
DR: Nee, ik doe de tests niet, die worden uitgevoerd door laboratoriumpersoneel.
PT: Lezen zij die bijsluiters dan?
DR: Weet ik niet.
PT: En de instellingen die de tests moeten goedkeuren, lezen zij de bijsluiters?
DR: Weet ik ook niet.
PT: Mag ik U wat voorlezen uit die van mij?
DR: Ja hoor.
PT: In allebei de bijsluiters staat: ”At present, there is no recognized
standard for establishing the presence or absence of antibodies to HIV in human
blood”. Er is dus geen standaard om vast te stellen of ze aanwezig of afwezig
zijn. Wat is uw mening over deze verklaring dokter?
DR: Ik zou graag die van jou horen.
PT: Ik denk dat biotechnologische bedrijven veel slimme mensen in dienst hebben.
En als een biotechnologisch bedrijf een zwangerschapstest ontwikkelt, is er iemand
binnen de organisatie aanwezig die wéét, dat de standaard voor
een positieve uitslag is, dat de vrouw wel of niet een baby draagt. Dus hoef
je geen raketgeleerde te zijn om te weten, dat de erkende standaard voor het
diagnosticeren van HIV is, of de persoon HIV heeft of niet. Als dat het doel
van de test is, moet het ook dáár voor worden gebruikt. En dat
betekent dus, dat biotechnologische bedrijven wéten dat de test niet wordt
beoordeeld aan de hand van HIV. Anders zouden ze de disclaimer die ik net voorlas
niet in de bijsluiter zetten.
DR: Ik mag aannemen dat je mijn eerdere uitleg dus niet accepteert?
PT: Dokter, ik geef commentaar op een bijsluiter. Ik geef mijn mening, en
die is dat biotechnologische bedrijven wéten dat de gouden standaard voor
hun test aanwezigheid van HIV is, maar dat ze ook weten dat die gouden standaard
niet wordt gebruikt. Waarom weet ik niet. En waarom ze daar keer op keer voor
waarschuwen in hun bijsluiters, geen idee. Maar daar ga ik proberen achter te
komen.
DR: En wat willen verzekeringsagenten, dat wij artsen daar aan gaan doen?
PT: Ik spreek alleen voor mezelf. U vertelde me al over de mogelijkheid van
kruisreagerende antilichamen in de tests. U zei dat één of twee
antilichamen in de Western Blot hoogstwaarschijnlik worden veroorzaakt door kruisreacties,
niet door HIV. Toen ik U vroeg waarom, zei U dat dat valt op te maken uit de
bandpatronen die gevormd worden door de antilichamen. Ik snap niet hoe patronen
of aantallen onderscheid kunnen maken tussen echte en kruisreagerende antilichamen.
Ik geloof niet dat men kan weten wat iets is, alleen omdat er een groter aantal
van is. Daarom zei ik dat misschien alle antilichamen in deze tests worden veroorzaakt
door kruisreactie, en niet door HIV. Maar daar kom je makkelijk achter.
DR: Vertel.
PT: Gebruik het virus. Doe een experiment door de antilichamen tegenover het
virus te zetten. Want daar is die test uiteindelijk voor bedoeld, het is een
HIV-test. Niet een AIDS-test.
DR: En hoe wilde je dat doen?
PT: Neem bijvoorbeeld duizend mensen. Sommige met AIDS, sommige met andere
ziekten die op AIDS lijken, sommige met ziekten die géén AIDS zijn,
en gezonde mensen. Je kan je keuze voor “geen-AIDS” niet beperken
tot alleen gezonde mensen, want als je dat doet vermijdt je het probleem van
kruisreagerende antilichamen. De geen-AIDS groep moet zieke mensen bevatten,
omdat die mensen hoogstwaarschijnlijk verhoogde hoeveelheden van verschillende
antilichamen hebben gegenereerd, die de test kunnen verwarren. Als je alleen
gezonde mensen gebruikt, stel je de test niet aan genoeg mogelijke antilichamen
bloot. Daarna vergelijk je het hebben of niet hebben van een positieve test,
met het hebben of niet hebben van HIV. Zoals bewezen door isolatie van het virus.
Maar het lijkt erop dat de testfabrikanten laten doorschemeren dat die isolatie
nooit heeft plaatsgevonden. En het lijkt mij dat dat wel had moeten plaatsvinden,
in ieder geval lang vóór de tests op de bevolking werden losgelaten.
DR: En je eigen test dan?
PT: Ik ga de komende drie maanden proberen te vergeten dat ik positief ben
getest. En eigenlijk wordt ik daarin aangemoedigd door iets wat ik in de bijsluiter
las: ”Het risico van een asymptomatische persoon met herhaaldelijk reactief
serum, die AIDS of AIDS-gerelateerde condities ontwikkelt, is onbekend.” Het
lijkt er dus op dat men buiten de risicogroepen niet weet wat een positieve uitslag
inhoudt. In de tussentijd ga ik naar mijn huisarts om uit te zoeken of ik geen
TBC of iets dergelijks heb, wat eventueel de test zou kunnen beinvloeden. Ik
heb ongeveer drie maanden geleden een griepprik en een tetanusprik gehad, misschien
ligt het daar wel aan. Er is natuurlijk de mogelijkheid dat ik het mis heb, dus
mijn vrouw en ik stellen “het gezin” nog even uit, en we zullen condooms
gebruiken. Ik ga veel van mijn vrije tijd in de bibliotheek doorbrengen, een
paar dingen uitzoeken. Ook waarom die HIV-proteïnen in normale, gezonde
mensen voorkomen. Ik denk dat ik alle originele documentatie over HIV-isolatie
ga lezen, om uit te vinden wat nou precies het bewijs van het bestaan van HIV
is, dat internationale wetenschappers aandragen. En daarna ga ik U vragen mijn
test te herhalen.
DR: En als je dan nog steeds positief test?
PT: Dan is datgene wat het veroorzaakt nog steeds actief. Maar dat is nog
steeds geen bewijs dat het HIV is.
Wordt vervolgd
Het originele artikel is te vinden op: The
Perth Group |