De
verborgen kanten van HIV – deel I
tekst: Liam Scheff
datum: 3 januari 2005
gevonden op: www.whale.to/a/scheff2.html
vertaling: Gert
“Knowing is beautiful”
Als journalist die over AIDS schrijft verbaas ik me mateloos over het verschil
tussen het algemeen bekende en het vakmatige beeld dat bestaat van HIV; tussen
wat openbaar wordt gemaakt en wat wordt verklaard in medische literatuur. Het
algemene beeld van HIV is voldoende bekend: HIV is een seksueel overdraagbare
aandoening die vooral toeslaat bij homoseksuele mannen, zwarte Amerikanen, drugsgebruikers
en zo’n beetje heel Afrika, hoewel we zelf ook wel enig risico lopen. We
worden aangemoedigd om ons te laten testen omdat, zoals op MTV wordt gepropageerd, ‘knowing
is beautiful’. Uitsluitend AIDS-remmers schijnen te verhoeden dat
het gehele Afrikaanse continent afglijdt naar de diepte van de oceaan.
In de medische
literatuur wordt verschillende uitleg gegeven; sterk verschillend zelfs. Verslagen
van HIV-tests, medicatie en patiënten, zowel als instructiemateriaal
van medische opleidingen, de Centers for Disease Control (CDC) en fabrikanten
van HIV-tests komen op het eerste gezicht overeen met de algemeen bestaande perceptie.
Wanneer je echter verder leest wordt volkomen helder dat er geen standaard bestaat
voor HIV-tests, dat ze arbitrair worden beoordeeld, dat AIDS ook voorkomt zonder
HIV en, tot slot, dat de term HIV niet een eenduidig begrip is, maar in feite
een verzameling is van niet-specifieke, op elkaar reagerend celmateriaal.
Dat
is nogal een verschil.
Het bestaande beeld van AIDS wordt in stand gehouden door
bezorgde mensen die wanhopig hulp bieden aan miljoenen Afrikanen die getroffen
zijn door AIDS; de ziekte die al in de jaren 80 jonge Amerikaanse homoseksuelen
trof. De medische literatuur wijst echter anders uit. Hieruit blijkt dat AIDS
in Afrika van aanvang aan anders is gediagnosticeerd dan AIDS in de Verenigde
Staten.
In 1985 organiseerde de World Health Organization een bijeenkomst
in Bangui, de hoofdstad van de Centraal Afrikaanse Republiek. Voorzitter van
Joseph McCormick; een afgevaardigde van de CDC. In zijn boek ‘Level 4 Hunters
of the CDC’ schreef hij er het volgende over: “Als ik de deelnemers
aan de WHO-bijeenkomst in Bangui tot een gezamenlijke, eenvoudige en eensluidende
definitie zou kunnen brengen van wat AIDS in Afrika is, dan zou dat – hoe
onvolledig ook – het begin kunnen zijn van het vaststellen van het aantal
gevallen…”
Resulterend in: AIDS in Afrika vaststellen door fysieke symptomen zoals koorts,
diarree, gewichtsverlies, hoesten of jeuk. (“AIDS IN Africa: an epidemiological
paradigm”. Science, 1986)
In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara
leeft zo’n 60 procent
van de bevolking zonder schoon drinkwater, behoorlijke voeding en basishygiëne.
Een verslag uit september 2003 in het Oegandese dagblad ‘New Vision’ omschreef
de situatie in Kampala, een stad met rond de 1,3 miljoen inwoners waar, zoals
wel vaker in tropische gebieden, overstromingen bij de seizoenen horen. Er wordt
onder meer geschreven over ‘hopen ondefinieerbare afval’ tussen de
druk bevolkte huizen in de overstromingsgebieden en ‘ontelbare hoeveelheden
waterplassen, die kweekvijvers vormden voor muggen en een milieu waarin cholera
kon gedijen.”
“Latrines werden aangelegd boven stromend water. Bij
regenval maakten de bewoners gewoonlijk een opening om de inhoud van de latrines
weg te laten spoelen. De regen voerde dat dan af naar riviertjes, waaruit daarna
weer water werd geput.
Er zijn niet veel mensen die beschikken over een toilet. Sommigen doen hun behoefte
in plastic zakken die ze dan in de rivier gooien. Dat worden dan vliegende wc’s
genoemd.”
De ‘Ugandan National Water and Sewage Corporation’ stelt
dat momenteel 55 procent van Kampala voorzien wordt van schoon water en dat slechts
8 procent van het riool wordt gezuiverd.
In landelijke gebieden is zelden schoon
water beschikbaar. Mensen gebruiken rivieren om er hun kleren in te wassen, er
in te baden en hun afval in te dumpen.
Plaatsen om water in te nemen worden gedeeld met vee, dat er drinkt, baadt, urineert
en zich ontlast. Ongecontroleerd menselijk afval verontreinigt het water met
besmettelijke en vaak dodelijke bacteriën. In stilstaand water gedijen muggen
die malaria overbrengen. Besmettelijke diarree, dysenterie, cholera, tuberculose,
malaria en gebrek aan voedsel zijn de belangrijkste doodsoorzaken in Afrika.
Maar in 1985 kregen ze AIDS.
De berichten in media als VH1 en MTV over miljoenen
geïnfecteerden slaan
dit soort informatie over. Ik weet niet wat ik moet doen met het gegeven dat
er 40 miljoen mensen stervende zijn en dat daar niets aan te doen is. Waarom
gaan we niet aan de slag om bronnen te slaan en voor schoon water te zorgen en
rioolsystemen tot stand te brengen voor de Afrikanen? Als we zo betrokken zijn
is het toch belachelijk om niet onmiddellijk te beginnen met een ‘schoon
water voor Afrika’ campagne? Over zoiets heb ik echter nog niets vernomen.
De
aanbevelingen van de VN voor Afrika spreken echter het tegenovergestelde: miljarden
dollars onttrekken aan sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidsprojecten,
infrastructuur en ontwikkeling van landelijke gebieden en deze ‘herstructureren’ naar
seksuele voorlichting (UNAIDS, 1999). Geen schoon water, maar heel veel kapotjes.
Het
is me duidelijk dat Afrika AIDS-medicijnen krijgt opgedrongen. Middelen als AZT
en Nevirapine, bedoeld om de verspreiding van HIV tegen te gaan, met name bij
zwangere vrouwen. AZT en Nevirapine beëindigen echter ook levens.
Medische literatuur en waarschuwingsstickers noemen de neveneffecten, zoals bloedceldestructie,
misgeboorten, afsterven van beenmerg, spontane abortus, organen die het laten
afweten en dodelijke huidaandoeningen. De bijsluiter verklaart ook dat deze medicatie “HIV
niet stopt of AIDS voorkomt”.
De bedrijven die deze medicijnen produceren
varen wel bij het algemene begrip dat HIV is vastgesteld bij Afrikaanse AIDS-patiënten
en dat die slachtoffers van gebrek-aan-schoon-water en armoede gezond kunnen
worden door AZT en/of Nevirapine te slikken.
Een uitstekende vorm van kapitalisme,
maar een beroerde vorm van gezondheidszorg.
Er lopen momenteel diverse reclamecampagnes
op MTV en soortgelijke zenders met aantrekkelijke stellen, gekleurd en blank,
elkaar aanrakend, liefkozend, sensueel, inleidend tot seks. De camera glijdt
over hun lichamen, handen, nek, mond, rug, benen, armen - en we zien een klein
pleistertje op hun arm, om aan te duiden waar bloed is geprikt voor een HIV-test.
Op de achtergrond klinkt “Knowing
is beautiful, get tested”.
In een artikel in de ‘San Francisco Chronicle’ uit
september 2004 wordt duidelijk wat we moeten verstaan onder de beauty van
zo’n
test. Het ging over Jim Malone, een 59 jaar oude veteraan die in 1996 te horen
had gekregen dat hij HIV-seropositief was. Zijn gezondheidssituatie werd vastgesteld
als ‘ernstig’. Hij werd geclassificeerd als “definitief invalide
en niet in staat tot arbeid of deelname aan welke inspannende bezigheid dan ook”.
Malone’s reactie: “Als ik niet kon eten, als ik me beroerd voelde,
zei mijn thuisverzorgster altijd ‘Ja, Jim, dat komt door je ziekte’ en
daarvan was ik dan weer overtuigd.”
In 2004 ontving hij een bericht van
zijn arts waarin hem werd medegedeeld dat hij seronegatief was. In het ene ziekenhuis
was hij positief getest, in het andere negatief. Niemand vroeg zich af waarom
de tweede test meer accuraat was dan de eerste (die in het Veteran’s
Hostpital was afgenomen).
Na de foute diagnose en zo’n acht jaar in afwachting van een dodelijke
afloop zegt Malone: “Vertrouw één enkele AIDS-test niet.
Laat je nogmaals testen, hertesten en opnieuw testen.”
In het betreffende artikel verzekerden AIDS-experts de lezers dat de kwestie ‘uitzonderlijk
zeldzaam’ was, maar medische literatuur toont iets heel anders aan.
In 1985,
toen het testen op HIV van de grond kwam, was bekend dat 68 tot 89 procent van
herhaaltests met ELISA (HIV afweerstoffen) gewoonlijk een valse positieve indicatie
opleverden, zo valt te lezen in het NEJM (New England Journal of Medicine, 312,
1985).
In 1992 schrijft The Lancet dat er op 66 correcte positieve indicaties
30.000 valse werden geregistreerd. Bij zwangere vrouwen was die verhouding 8.000
vals tegenover 6 correct (Lancet, 339, 1992).
In september 2000 meldt het Archive
of Family Medicine dat hoe meer vrouwen er worden getest, hoe groter het aantal
vals-positieve en dubbelzinnige uitslagen worden geregistreerd (Archives of Family
Medicine, sept/okt 2000).
De hierboven bedoelde tests zijn standaard HIV-tests,
zoals in advertenties worden aanbevolen. De formele naam is ELISA of EIA (Enzyme-linked
Immunosorbant Assay). Het zijn afweerstoffen-tests. De tests bevatten proteïnen
die reageren op afweerstoffen in het bloed.
In de Verenigde Staten wordt je in
eerste instantie getest met ELISA. Als je bloed reageert wordt een tweede test
uitgevoerd, ook gebaseerd op ELISA. Waarom zou de tweede test meer accuraat zijn
dan de eerste? Het is protocol. Als ook de tweede ELISA test positief is wordt
er een derde test uitgevoerd als bevestiging: de Western Blot. Maar dat gebeurt
in de VS. In een aantal landen wordt één
ELISA voldoende geacht.
Juist doordat HIV-tests gebaseerd zijn op afweerstoffen
zijn er zoveel vals-positieve uitslagen. Afweerstoffen (ook wel aangeduid als
antilichamen) reageren op elkaar. We maken ze doorlopend aan als gevolg van stress,
slechte voeding, ziekte, drugsgebruik, eten, een wondje, een griepje, zelfs zwangerschap.
Dergelijke afweerstoffen zijn bekende oorzaken van vals-positieve resultaten
van HIV-tests.
In de medische literatuur vinden we tientallen oorzaken voor positieve
HIV-tests: “bloedtransfusies,
transplantaties, zwangerschap, immuniteitsafwijkingen, tumoren, leverschade door
alcoholgebruik of oorzaken die nog niet duidelijk zijn…” (Archives
of Family Medicine, sept/okt 2000).
“Menselijke fouten of technisch falen, andere virussen, vaccinaties” (Infectious
Disease Clinician of North America, 7, 1993).
“Leverziekten, erfelijke aandoeningen, hemidialyse of vaccinaties tegen
hepatitis B, rabies, griep…” (Archives of Internal Medicine, augustus
2000).
“Ongepasteuriseerde koemelk… contact met rundvee of een reactie
op andere menselijke retrovirussen” ( Transfusion, 1988).
Zelfs de woonplaats
schijnt van belang te zijn.
“Bewoners van bepaalde gebieden kunnen kruisreactieve afweerstoffen
vertonen als gevolg van lokaal bestaande (niet-HIV) retrovirussen” (Medicine
International 56, 1988).
Hetzelfde geldt voor de bevestigingstest: de Western
Blot.
Oorzaken van onduidelijke uitslagen van de Western Blot-test kunnen zijn: “lymfatische
afwijkingen, multiple sclerose, intraveneus drugsgebruik, leveraandoeningen of
afwijkingen van het immuunsysteem. Bovendien zijn er kennelijk gezonde personen
die kruisreacties vertonen van afweerstoffen…” (Archives of Internal
Medicine, augustus 2000).
“De Western Blot wordt niet gebruikt als controlemiddel … het
geeft een onacceptabel hoog percentage dubbelzinnige resultaten” (Archives
of Family Medicine, sept/okt 2000).
Zwangerschap wordt doorlopend aangeduid als
een oorzaak van positieve uitslagen, zelfs door de producenten van de tests. “Vals-positieve uitslagen kunnen
worden veroorzaakt door een (eerdere) zwangerschap, bloedtransfusies … en
andere niet-specifieke reacties” (Vironostika HIV test, 2003).
Dit is van
belang voor Afrika omdat de schattingen voor dat continent bijna geheel zijn
gebaseerd op het testen van zwangere vrouwen.
Dit jaar is het besmettingspercentage
van HIV onder jonge vrouwen in Zimbabwe aanzienlijk afgenomen, van 32,5 naar
6 procent. Een afname van 81 procent. Van de ene dag op de andere, als het ware!
De vertegenwoordiger van UNICEF voor Swaziland , dr. Alan Brody, verklaarde dit
als volgt: “Het probleem is dat alle sero-onderzoek
afkomstig was van zwangere vrouwen en dat deze informatie werd geëxtrapoleerd
naar de gehele bevolking” (PLUS News, augustus 2004).
Wanneer deze zwangere
vrouwen een test ondergaan, worden ze vaak ook op andere ziektes getest, zoals
syfilis. Met kruisreacties of vals-positieve uitslagen wordt geen rekening gehouden
en er wordt ook geen tweede (controle)test uitgevoerd. Eén ELISA op één
meisje en 32,5 procent van de bevolking is plotseling HIV-positief.
De Boston
Globe van juni 2004 meldt dat “de huidige schatting van 40
miljoen mensen die met het AIDS-virus besmet zijn zo’n 25 tot 50 procent
overdreven zijn”. Ze baseerden dat op het feit dat schattingen voor hele
landen voor meer dan tien jaren gebaseerd waren geweest op “bloedmonsters
van zwangere vrouwen uit klinieken”.
Niet alleen het aantal HIV-besmettingen
wordt gebaseerd op tests op zwangere vrouwen. Ook het aantal AIDS-doden, AIDS-wezen,
het aantal mensen dat antiretrovirale medicatie nodig heeft en de gemiddelde
leeftijdsverwachting worden er op gebaseerd. Allemaal op grond van één
test.
Deze informatie ontbreekt in de reclamecampagnes.
Er zijn momenteel in de literatuur
meer dan 70 oorzaken te vinden voor een positieve uitslag. Sterker nog, uit de
medische literatuur blijkt dat geen enkele uitslag van een HIV-test enige zekerheid
biedt. Positief of negatief.
“Er zijn vals-positieve reacties vastgesteld met elk HIV-1 proteïne,
recombinant of authentiek” (Clinical Chemistry 37, 1991).
“Het is derhalve niet mogelijk een specifieke relatie vast te stellen
tussen de aanwezigheid van afweerstoffen en de aanwezigheid van een HIV-infectie” (Medicine
International, 1988).
Voor hen die niet in vals-positieve uitslagen geloven: “de test geeft
geen uitsluitsel of de betrokken persoon op dit ogenblik het virus met zich draagt” (Science,
november 1999).
Fabrikanten van HIV-tests verklaren dat, wanneer er afweerstoffen
worden vastgesteld, de test moet worden ‘geïnterpreteerd’. Er
bestaat geen eensluidende of heldere definitie van HIV-positief of negatief.
Er zijn slechts afweerstoffen aangetroffen. De reactie wordt in kleur aangeduid
door een enzym, wat wordt herkend door een apparaat met de naam spectrofotometer.
Dat apparaat maakt een indeling naar sterkte (niet specifiek), boven of onder
een bepaalde waarde. Zit je boven die waarde dan ben je seropositief. Als je
eronder zit wordt je als seronegatief beschouwd.
Hoe is dan die doorslaggevende
grens bepaald? In het instructiemateriaal van de CDC lezen we: “Het vaststellen van de grenslijn die het verschil aangeeft
tussen een positieve of negatieve uitslag is enigszins arbitrair” (CDC-EIS, ‘Screening
for HIV’, 2003).
De medische faculteit van de Universiteit van Vermont sluit
zich bij het voorgaande aan: `Waar een scheidslijn wordt getrokken bij een diagnostische
test kan dit ietwat arbitrair zijn … Waar zou een bestuurder van een bloedbank waar
gedoneerd bloed wordt onderzocht op de aanwezigheid van HIV afweerstoffen de
grens trekken? … Waar zou een onderzoeker de grens trekken om te bepalen
welke patiënten deel gaan nemen aan een klinische test met een nieuw, experimenteel
en mogelijk giftig antiretroviraal middel?” (Leermodule ‘Testing
for HIV Infection’, Universiteit van Vermont, Medische Faculteit).
In 1995
bleek uit een studie van vier belangrijke merken HIV-tests dat ze alle vier verschillende
grenslijnen vertoonden en, als gevolg daarvan, van elkaar afwijkende testresultaten
voor het zelfde monster gaven. “Grenslijnen vertonen
geen verband tussen de onderzochte ELISA-paren” en het resultaat van een
test had “geen voorspellende waarde” voor de uitslag van de overige
tests. (INQS-DSH, Brazilië, 1995)
Ik heb nog nooit gehoord dat iemand werd
gevraagd waar hij de ‘grenslijn’ zou
willen trekken om te bepalen of hij positief of negatief getest zou moeten worden,
omdat het eigenlijk een ‘ietwat arbitraire’ test is.
In Groot Brittannië wordt je positief bevonden na twee ELISA-tests. In
de Verenigde Staten wordt een derde, doorslaggevende test uitgevoerd om de voorgaande
twee te bevestigen. Die derde test heet Western Blot. Er worden daarbij dezelfde
proteïnen gebruikt, in een andere samenstelling. Dezelfde proteïnen,
dezelfde niet-specifieke reacties, maar in dit geval worden de resultaten gelezen
als regels op een pagina, zonder kleurverandering.
Welke regels zijn HIV-positief?
Dat hangt er van af waar je bent, in welk laboratorium en welk pakket er wordt
gebruikt.
De Mayo Clinic maakt er melding van dat “de Western Blot methode niet
is gestandaardiseerd en subjectief is waar het gaat om de interpretaties van
de regelpatronen” (Mayo Clinic Procedural, 1988).
In een studie in het Journal
of the American Medical Association uit 1988 staat dat 19 verschillende tests
op één bloedmonster resulteerde
in 19 verschillende Western Blot uitslagen (JAMA 260, 1988).
In een overzicht
in Bio/Technology van 1993 lezen we dat de FDA, het CDC met het Ministerie van
Defensie en het Rode Kruis de uitslagen van de Western Blot allemaal verschillend
interpreteren en stellen vervolgens vast dat “alle
andere vooraanstaande laboratoria in de VS hun eigen criteria hebben bij het
testen op HIV” (Bio/Technology, juni 1993).
In het begin van de jaren 90,
wellicht als reactie op de groeiende onvrede in de medische wereld over het gebrek
aan precisie van de tests, introduceerde Roche Laboratories een nieuwe genetische
test, met de naam ‘Viral Load’,
gebaseerd op een techniek met de naam PCR. Wat deugt er van dit nieuwe genetische
wonder?
Een eerste reactie op die technologie in het Journal of AIDS uit 1991
schrijft dat “een concreet positieve PCR-test niet kan worden onderscheiden van
een vals-positief” (J.AIDS, 1991).
Een studie uit 1992 stelt “een verontrustend hoog percentage niet-specifieke
positieve uitslagen” vast en geeft aan dat 18 procent afweerstof-negatieve
(onder de grenslijn) patiënten een positieve Viral Load uitslag kregen (AIDS,
1992)
Uit een studie uit 2001 blijkt dat de tests totaal verschillende resultaten
gaven op basis van een en hetzelfde bloedmonster en dat de tests ook verschilden
met die welke met andere merken werden uitgevoerd (CDC MMWR, 16 november 2001).
Een
Afrikaanse studie in 2002 wees uit dat er een hoge Viral Load werd gemeten bij
patiënten met lintworm, maar dat dit spoedig afnam zodra dat probleem
werd behandeld. De titel van dat onderzoek zegt al genoeg: “Treatment of
Intestinal Worms is associated with Decreased HIV Plasma Viral Load” (J.AIDS,
september 2002).
Roche Laboratories, de firma die de PCR-tests op de markt brengt,
plaatst de volgende waarschuwing bij haar product:
“De AMPLICOR HIV-1 MONITOR test … is
niet bedoeld om een HIV-test te bevestigen of als diagnostische test om de aanwezigheid
van een HIV-infectie vast te stellen.”
Maar dat is wel exact waarvoor de
test wordt toegepast, om zwangere vrouwen ervan te overtuigen dat ze AZT en Nevirapine
moeten gaan slikken en anderen om te beginnen met medicatie.
De medische literatuur
voegt aan dit alles iets verbluffends toe. We lezen daar dat de oorzaak dat HIV-tests
zo niet-specifiek zijn en geïnterpreteerd
moeten worden gelegen is in het feit dat er “geen gouden virologie-standaard” is
voor HIV-tests.
De achtergrond van deze verklaring, vanuit zowel medisch als sociaal
perspectief, is uiterst diepzinnig. Die “gouden virologie-standaard” is het geïsoleerde
virus dat artsen beweren indirect vast te stellen door de test.
Tests op afweerstoffen
vertonen altijd kruisreacties omdat afweerstoffen niet-specifiek zijn. Om een
test valide te maken moet het virus worden gevonden in het bloed van de patiënt.
Je
neemt bloed af, laat het draaien in een centrifuge, en je zit met miljoenen kleine
virusdeeltjes die je simpelweg kunt fotograferen onder een microscoop. Je kunt
het virus ontleden, het gewicht van de proteïnen vaststellen en
z’n genetische structuur registreren. Dat is de gouden standaard van de
virologie. Op de een of andere manier missen de HIV-tests dat.
In 1986 meldde
JAMA dat er “geen vastgestelde standaard bestaat om HTLV-III
(HIV) vast te stellen bij niet-symptomatische personen (JAMA, 18 juli 1986).
In
1987 schreef de New England Journal of Medicine dat “De betekenis
van positieve testuitslagen wordt bepaald door de verhouding in de (ELISA/WB)
vals-positieve uitslagen. Aangezien er geen gouden standaard bestaat is niet
bekend hoe die verhouding momenteel ligt. Het valt dan ook niet vast te stellen
wat dit zou betekenen in een controleprogramma op grote schaal” (Screening
for HIV: can we afford the false positive rate? – NEJM, 1987).
We gaan naar
1996. JAMA meldt opnieuw: “het vaststellen van HIV bij
kinderen is met name moeilijk omdat er geen referentiekader bestaat, er is geen ‘gouden
standaard’ voor het testen, op grond waarvan zonder twijfel kan worden
vastgesteld of de patiënt is geïnfecteerd (JAMA, mei 1996).
In 1997
maakte Abbott Laboraties – de toonaangevende producent van HIV-tests
bekend dat er “momenteel geen erkende standaard bestaat op de aanwezigheid
om de afwezigheid van HIV-afweerstoffen in menselijk bloed vast te stellen” (Abbott
Laboritories HIV Elisa Test, 1997).
Het Journal AIDS meldt in 2000 dat “2,9 tot 12,3 procent vrouwen in
een studie positief getest worden, ‘afhankelijk van de gebruikte test’”,
maar “aangezien er geen gouden-standaard-test is vastgesteld is het niet
duidelijk welke van die waarden het dichtst bij het werkelijke percentage komt…” (AIDS,
14, 2000).
Als er een virologische gouden standaard zou bestaan zou een HIV-test
eenvoudig en accuraat zijn. Je draait het bloed van de patiënt in een centrifuge
en vindt het deeltje. Dat wordt niet gedaan en onder elkaar zeggen ze dat ze
dat ook niet kunnen.
Dat is de reden waarom testuitslagen worden vastgesteld op
basis van algoritmes – boven
of onder een variërende scheidslijn, schattingen, gebaseerd op zwangere
meisjes en dan van de ene op de andere dag geprojecteerd en geformuleerd.
Uit
het doorlopend herhalen in de medische literatuur dat er geen gouden standaard
bestaat mogen we opmaken dat wat gewoonlijk als HIV wordt aangeduid door ’s
werelds belangrijkste AIDS-onderzoekers niet wordt gezien als één
fenomeen, maar als een verzameling proteïnen en ongedefinieerd genetisch
materiaal dat kruisreacties vertoont.
We zijn dan al heel ver verwijderd van wat
normaal gesproken onder HIV wordt verstaan.
Vast staat overigens dat je niet HIV-positief
getest hoeft te worden om te worden aangeduid als AIDS-patiënt. Je hoeft
niet eens ziek te zijn.
In 1993 werd door de CDC een toevoeging aan de AIDS-categorie
gedaan: “Idiopatische
CD4 Lymphocytopenia”. Wat houdt dat dan in? AIDS zonder HIV.
In datzelfde
jaar werd ook “AIDS zonder ziek te zijn” als categorie
toegevoegd. Als je positief getest werd maar niet ziek was kon je toch een AIDS-diagnose
krijgen. In 1997 bedroeg het aantal gezonde mensen met AIDS zo’n tweederde
van alle AIDS-patiënten in de Verenigde Staten. Het was overigens ook het
laatste jaar waarin deze cijfers werden gepubliceerd (CDC Year End Addition,
1997).
In Afrika doet een HIV-status er niet toe. Ook als je negatief test kun
je als AIDS-patiënt bestempeld worden: Een studie in Ghana beschrijft “Onze
aandacht is nu gericht op het grote aantal (59 procent) seronegatieve (HIV-negatieve)
mensen die klinisch gediagnosticeerd zijn als AIDS-patiënt. Al deze patiënten
hadden drie significante verschijnselen: gewichtsverlies, langdurig diarree en
chronische koorts” (Lancet, oktober 1992).
Gemeten over een aantal landen
in Afrika (Abidjan, Ivoorkust, Lusaka, Zambia en Kinshasa in Zaïre) waren
2215 van de 4383 personen (50 procent) HIV-negatief (Britisch Medical Journal,
1991).
AIDS zonder HIV, HIV-negatief en toch AIDS, geen virologische gouden standaard – allemaal
begrippen die in advertenties achterwege blijven. Maar zelfs als je meerdere
keren positief getest wordt zeggen de fabrikanten dat “het risico van het
krijgen van AIDS of een als AIDS gedefinieerde aandoening bij niet-symptomatische
(niet zieke) personen onbekend is” (Abbott Laboratories HIV Test, 1997).
Als
de gebruikelijke regels voor reclame hier zouden worden toegepast zouden die “knowing is beautiful” advertenties
een disclaimer (afwijzing) moeten voeren, zoals bij tabaksreclame:
“Waarschuwing:
Deze test maakt niet duidelijk of u met een virus besmet bent. Het kan aantonen
dat u zwanger bent of drugs hebt gebruikt, of alcohol, of dat u een vaccinatie
hebt ondergaan, dat u verkouden bent, een leveraandoening hebt, artritis, of
gespannen bent, arm, hongerig of vermoeid. Of dat u Afrikaans bent. De test vertelt
u niet of u blijft leven of gaat sterven. In feite hebben we geen idee wat een
positieve of negatieve uitslag betekent.”
De auteur, Liam Scheff, is onderzoeksjournalist
en een gezondheidsactivist. Zijn artikelen zijn gepubliceerd in New York Press,
LA Citybeat en de Weekly Dig (Boston). Zijn verslag over het celdodende Nevirapine
werd recentelijk uitgezonden in een BBC-documentaire. |