De
verborgen kanten van HIV – deel II
tekst: Liam Scheff
datum: 17 maart 2005
gevonden op: www.whale.to/a/scheff5.html
vertaling: Gert
“Seksmisdrijven”
De afgelopen maanden waren spannend voor de medische industrie. Om te beginnen
was er het Nevirapine-schandaal bij de National Institutes of Health (NIH), daarna
struikelde de U.S. Food and Drug Administration (FDA) over het voorschrijven
van medicatie en nu is er plotsklaps AIDS versie 2.0 in New York City.
Op 12 februari maakte de New York Times bekend dat er ‘een zeldzame
HIV-stam was gevonden die buitengewoon resistent was tegen alle antiretrovirale
medicijnen en al op korte termijn tot een AIDS-conditie leidde…’
Het virus was ontdekt bij een man van rond de 45 jaar die ‘onbeschermde
seks had met meerdere partners … honderden mannen … in de voorgaande
weken en bovendien crystal methamphetamine (ook wel ‘crystal meth’,
red.) gebruikte.
Waardoor had deze man een ander soort HIV? Simpel, hij slikte allerhande farmaproducten
en werd toch ziek. Het was duidelijk dat de AIDS-medicatie, die hem hadden moeten
genezen van zijn infectie, daar niet toe in staat bleek, waardoor hij ernstig
ziek werd als gevolg van het virus. Een medewerker van het gezondheidsinstituut
in New York City verklaarde tegenover de Times dat het de eerste keer was dat
zoiets voorkwam.
Ondanks die uitspraak was er eerder al een vergelijkbaar geval geregistreerd.
In 2001 verhaalt het British Medical Journal van ‘een 26-jarige HIV-positieve
man die Stavudine, Didanosine en Nevirapine (AIDS-medicatie) gebruikte … Hij
onderging geen andere therapie … De patiënt ervoer een vervelend
gevoel en pijn in het bovenste deel van de onderbuik … De symptomen werden
ernstiger en na drie weken werd hij in het ziekenhuis opgenomen met ernstige
pijn, overgeven, koorts en overgevoeligheid van het bovenste deel van de onderbuik’.
De artsen, die wellicht niet bekend waren met de heilzame werking van medicatie,
of ongewis van het feit dat ze een supervirus onderhanden hadden, maakten een
ongebruikelijke keuze. Alle medicatie werd gestopt.
De verslaggever schrijft: ‘De patiënt herstelde wonderwel bij traditionele
behandeling. Hij gebruikt geen antiretrovitale medicijnen meer’. (British
Medical Journal, januari 2001, 322)
Hieruit zou kunnen worden geconcludeerd dat AIDS-medicatie op zich ziekte
kan veroorzaken. Je zou hier zelfs uit op kunnen maken dat een mens kan genezen
zonder de levensreddende combinatietherapie, maar dat moet wel nonsens zijn.
Zoals een fatsoenlijke dokter zegt: “Ik ken heel wat mensen die ervoor
hebben gekozen geen antiretrovirale medicijnen te nemen. Zij hebben al hun vrienden
gezien die wel met die stroom meegingen en nu dood zijn”. (Dr. Donald Abrams,
arts, directeur van het AIDS programma van het San Francisco General Hospital
(Lecture to Medical Students, Synapse, 1996))
Maar de combitherapie verbetert toch de kwaliteit van leven?
‘Eén van de belangrijkste drempels bij het effectief behandelen
van HIV is, dat de meeste mensen zich niet ziek voelen op het moment dat hen
de anti-HIV-medicatie wordt aangeboden. Feitelijk gaan ze zich pas ziek voelen
zodra ze begonnen zijn die medicijnen te slikken…’. (The Toronto
Star, 24 september 1999)
Er zijn natuurlijk bijwerkingen, maar die medicijnen zijn het enige dat een
AIDS-patiënt in leven houdt. Dat weet toch iedereen?
“Er bestaat geen genezing van AIDS met de bestaande medicijnen”,
zegt het hoofd van het National Institute of Allergy and Infectious Diseases
(NIAID) op de 13 e International AIDS Conference. “Geheel uitroeien is
niet mogelijk”, sprak Anthony Fauci. (Biotechnology Newswatch, 17 juli
2000)
Ja, maar…
“Er is groeiende bezorgdheid met betrekking tot de giftigheid op termijn
en de tegengestelde effecten van de therapie, waaronder leverschade en mitochondriale
giftigheid … Lopende onderzoeken zijn niet gericht op overleving op termijn … De
gaandeweg vaker toegepaste therapie in mijn kliniek is geen therapie, of uitgestelde
therapie”. (Annals of Internal Medicine, 5 februari 2000, 132)
Akkoord. Misschien waren het de medicijnen zelf die hem ziek maakten. Dat
kan. Maar een krantenkop ‘Drugsverslaafde wordt ziek van medicijnen’ is
natuurlijk lang niet zo interessant als ‘Nieuw AIDS-supervirus gevonden
in meth-sex-verslaafde’. Ik bedoel, dat ís natuurlijk geen nieuws.
Robert Gallo, de uitvinder van de sex-AIDS theorie, werd om een reactie gevraagd. “Ik
vermoed dat het helemaal nergens over gaat”, verklaarde hij tegenover de
Times. Kijk, dan blijft er niet veel over van het verhaal.
Laten we de media niet onderschatten. We weten nu in elk geval dat wanneer
je marathon-sex hebt met honderden anonieme partners terwijl je zwaar aan de
crystal meth zit … dan zou je wel eens ziek kunnen worden. Als je dan
bovendien HIV-positief bent zorgen de Centers for Disease Control and Prevention
(CDC) er wel voor dat je in het 8-uur journaal komt in ieder westers land.
In de staat Washington mag een gebruiker van methamphetamine, Anthony
Whitfield, de rest van zijn leven in de gevangenis doorbrengen omdat hij seksueel
zeer actief is geweest. Hij werd 12 jaar geleden in de gevangenis positief
getest. Niemand vroeg zich af hoe hij gezond en in leven bleef; geen AIDS-medicatie,
doorlopend crystal meth gebruiken, levend van dag tot dag, hoeren en snoeren,
maar zijn gezondheid interesseerde de rechter in het geheel niet.
Interessant was Whifield’s seksuele oriëntatie. Anders dan de New
Yorker met het supervirus, was Whitfield heteroseksueel en droeg kennelijk zijn
nare HIV-testresultaat over aan vijf andere mensen. Het is ons niet ontgaan dat
seks de belangrijkste vorm van verspreiding van HIV is, zoals ook de zaak Whitfield
demonstreert.
Uit de Seattle Weekly (eerste week december, 2004):
“Vijf van de geteste vrouwen bleken HIV-positief, maar er was weinig
logica te ontdekken bij de verspreiding van het ongerief. Sommigen hadden honderden
gevallen van onbeschermde seks gehad, zelfs anaal, maar zij testten negatief”,
zegt hulpofficier van jusitie van Thurston County Jodilyn Erikson-Muldrew. “Een
andere vrouw, die bij uitzondering twee keer onbeschermde seks had werd positief
getest.”
Het is bekend dat dit exact de manier is waarop soa’s zich manifesteren.
Een soa laat zich vaak moeilijk overdragen ondanks honderden gevallen van onbeschermde
vaginale en anale seks, maar twee keer onbeschermd kan foute boel betekenen.
HIV echter is per definitie een seksueel overdraagbaar virus. Dat is een automatisme.
Dat gezegd hebbende moet worden vastgesteld dat AIDS-onderzoekers het vaak moeilijk
vinden om bewijzen voor deze stelling aan te dragen. Waar het gaat om drugsgebruik
klopt het gewoonlijk wel dat er een duidelijke relatie is met HIV, maar seks,
zonder drugs, laat zich toch moeilijk in dat patroon dwingen.
Als voorbeeld nemen we een verslag van het Journal of the American Medical
Associations uit 1988: “Geen van de echtgenoten van vier HIV-seropositief
geteste vrouwen werd besmet, ondanks regelmatig seksueel contact gedurende een
periode van drie jaren. Een andere studie bij 12 stellen toont aan dat er geen
overdracht plaats vond van de geïnfecteerde vrouw naar de mannelijke partner,
na meer dan honderd seksuele contacten. Vaginale seks draagt kennelijk een laag
risico van overdracht op de partner, evenals anale seks.” (JAMA, 1988,
259/20)
Dat gaat dan over contact van man naar vrouw, gewoonlijk aangeduid als ‘laag
risico’. Maar hoe zit het dan met het contact van vrouw naar man?
Uit de editie van het Journal of Infectious Disease van 17 januari 2002: “Het
onderzoek naar 17 vrouwen die ongeïnfecteerd bleven, ondanks een historie
van regelmatige blootstelling aan HIV via herhaald en onbeschermd seksueel contact
met een geïnfecteerde partner en 12 regelmatige seropositieve partners.”
Hoe zit dat dan met mannelijk naar mannelijk?
Een studie uit april 1996 in Nature Medicine richt zich op 24 hetero- en homoseksuele
mannen die HIV-negatief zijn gebleven ondanks “meerdere seksuele contacten
met hoog risico, waaronder seks met meerdere HIV-1 geïnfecteerde partners,
of langdurige relaties waarbij onbeschermde seks gedurende een lange reeks van
jaren voorkwam met een met HIV geïnfecteerde partner. Alle geteste personen
waren HIV-negatief, hoewel in een aantal gevallen hun partner aan AIDS was bezweken.” (Nature
Medicine, 1996, 2(4))
Studies over een langere periode?
“In het Kenyatta National Hospital (Kenia) … bleken 23 van de
31 geteste stellen in disharmonie, in die zin dat één van hen positief
en de andere negatief was. Een aantal van hen bleef langer dan zes jaren seksueel
contact houden met de geïnfecteerde partner zonder dat overdracht van het
virus plaats vond. Als deze disharmonieuze mensen hun kinderen lieten testen
bleken die allemaal vrij te zijn van het virus …”. (Horizon Magazine,
18 december 2003)
Breder gebaseerde studies?
“We bestudeerden bij 50 seksueel actieve en disharmonieuze stellen (één
HIV+, de ander HIV-) de seronegatieve partner en zij bleken bij alle opeenvolgende
tests negatief gedurende een periode van 17 maanden, ondanks het feit dat de
seksuele contacten met hun seropositieve partners voortduurden … ongeveer
de helft van iedere testgroep meldde ook gevallen van onbeschermde seks … seksueel
contact met anderen dan de eigen partner was in beide groepen ongebruikelijk,
evenals ongeoorloofd drugsgebruik gedurende de onderzoeksperiode. (Clin Infectious
Disease, juli 1995, 211)
Langere én bredere studies dan?
Uit een studie met de naam ‘Heterosexual Transmission of HIV in Northern
California: Results from a Ten-Year Study’ (heteroseksuele overdracht van
HIV in noordelijk Californië – de resultaten van tien jaren onderzoek,
red.): “We volgden in totaal 175 HIV-disharmonieuze stellen en op basis
van de periode komt dat omgerekend neer op 282 stel-jaren … Bij 25 procent
van de stellen die niet consequent condooms gebruikten vond geen overdracht van
HIV plaats, evenmin als onder 47 stellen die zo af en toe onveilige seks hadden
gedurende de onderzoeksperiode … We constateerden geen overdracht na de
aanvang van de studie (Niemand werd HIV-positief)”. (American Journal of
Epidemiology, augustus 1997)
Tien jaren en geen besmetting? Hm, elke keer dat ik naar ‘Law and Order,
Special Victims Unit’ kijk loopt er een HIV-spoor van het gajes naar het
slachtoffer.
Studies bewijzen echter niets en geloof overbluft de logica altijd. Ondanks
het bewijs van het tegendeel blijft het dus mogelijk dat HIV seksueel overdraagbaar
is. Het ligt niet voor de hand, maar het is mogelijk.
We hebben het hier over het overdragen van HIV, niet over het virus
als zodanig. Het gaat hier om wat we opmaken uit de HIV-tests.
Zoals de CDC’s aangeven: “HIV-tests kijken of er HIV-afweerstoffen
aanwezig zijn, ze geven niet aan of het virus zelf aanwezig is.” Ze voegen
daar echter aan toe: “De HIV-afweerstoffentest is de enige manier om te
weten te komen of je geïnfecteerd bent. Door naar iemand te kijken is niet
vast te stellen of die persoon HIV-besmet is.” (CDC, National HIV Testing
Resources, ‘HIV-test FAQ, 2005)
“De enige manier om het vast te stellen” – en gelukkig werkt
de test buitengewoon goed en vrijwel foutloos:
De gezondheidsdienst van de universiteit van Michigan zegt hierover: “Hoewel
de HIV-tests zeer nauwkeurig zijn is het mogelijk dat de uitslag positief is
hoewel u niet met HIV besmet bent (dat wordt een vals-positieve test genoemd).” (“HIV
antibody Tests”, McKesson Health Solutions LCC, 2004)
Akkoord, er komt zo nu en dan een vals-positieve test voor.
“In 1991 waren er 30.000 vals-positieve tests uit 20,4 miljoen, met
slechts 66 bevestigingen …” (“HIV screening in Russia”,
Lancet, 1992)
Dat kan gebeuren, natuurlijk, maar dat was in Rusland.
“Momenteel bestaat er geen erkende standaard voor het vaststellen van
de aanwezigheid of de afwezigheid van HIV-afweerstoffen in menselijk bloed.” (Abbot
Laboratories HIV Elisa Test, 1997)
Nou, dat is gewoon een waarschuwing bij die tests om juridische redenen.
Er zijn natuurlijk wel standaarden. De bevestigingstest; de Western Blot. Dat
is de standaard.
“Wat een positieve uitslag bepaalt van een Western Blot test is niet
gestandaardiseerd (instellingen gebruiken verschillende stoffen, testmethoden
en criteria voor interpretatie van de test).” (“AIDS Counseling for
Low-Risk Clients”, Max Plank Institute/Aids Care 10, 1998)
Akkoord. Wat is dan de standaard?
“Voor HIV-infectie bestaat geen onafhankelijke, onbetwiste methode om
groepen personen aan te duiden die zonder twijfel geïnfecteerd dan wel ongeïnfecteerd
zijn.” (JAMA, 1987, 258)
“Er is geen referentie of ‘gouden standaard’ op grond waarvan
onbetwistbaar de infectiestatus van een patiënt kan worden vastgesteld …” (JAMA,
1 mei 1996, 275/17)
“Het is derhalve wellicht onmogelijk om de aanwezigheid van afweerstoffen
te relateren aan een specifieke HIV-1 infectie.” (Medicine International
1988, 56)
Goed, ik begrijp het.
“Serologische bloedtests op HIV-afweerstoffen worden gekenmerkt door
een ongewoon groot percentage vals-positieve uitslagen … Overigens zou
elke toename in het percentage vals-positieven zou van een controleprogramma
een sociale catastrofe kunnen maken. Een vals-positieve uitslag kan een kind
van een HIV-positieve moeder zelf ook als HIV-positief bestempelen terwijl dat
kind wellicht feitelijk HIV-negatief is.” (‘High Frequency of False
Positive Results in HIV Screening in Blood Banks’, Ayub Medical College,
Pakistan, 1999)
Natuurlijk. Dus de rest is onzin. Maar hoe komen we er dan achter of Anthony
Whitfield, of één van zijn partners, écht positief is?
Dat is eenvoudig te beantwoorden. Sommige tests zijn meer positief dan andere.
*)
Niemand vroeg zich iets af met betrekking tot vals-positief in Whitfield’s
geval, gezien zijn levensstijl en huidskleur. Hij behoorde tot wat de CDC beschouwt
als een groep met hoog risico.
Zo werken die tests namelijk. Als je tot een bepaalde bevolkingsgroep behoort
wordt je eerder geacht positief te zijn. Behoor je niet tot die groep dat neemt
de kans toe dat je als negatief wordt beoordeeld. De uitslag van je test wordt
gewogen op basis van dit gegeven.
De CDC omschrijft dit als volgt:
“De kans dat een positieve test werkelijk op een positieve HIV-status
wijst neemt af naarmate het voorkomen van HIV in de geteste groep minder blijkt.
Vals-positieve test zijn dus eerder te verwachten bij testgroepen waar HIV minder
voorkomt dan bij groepen waar dat vaker het geval is.” (CDC: ‘Revised
Guidelines for HIV Counseling, Testing, and Referral’, 9 november 2001)
Met andere woorden: je feitelijke test is van minder belang dan de verwachte
aanwezigheid van HIV-positieven in de groep waar je volgens het CDC toe behoort.
Whitfield is een zwarte man en hij gebruikt drugs. Hij heeft bovendien onbeschermde
seks, dus hij behoort tot de groep met hoog risico.
We weten dus:
- Seks is zonder twijfel de belangrijkste oorzaak van de verspreiding van HIV…
- Drugsgebruik als zodanig veroorzaakt een enorme productie van afweerstoffen,
die door de HIV-test worden geïnterpreteerd als een HIV-positieve status.
Dat is duidelijk.
- De CDC zegt dat HIV veel voorkomt in de zwarte gemeenschap. Hoe weten ze
dat? Omdat ze vaker gekleurde mensen testen. Dus, als de CDC ze vaker test moeten
ze wel tot een risicogroep behoren.
Maar, waarom lopen zij dan een hoger risico?
De CDC kijkt naar trends in de doelgroepen, zoals toename van soa’s,
drugsgebruik en tienerzwangerschappen. Als er een toename wordt geconstateerd
bij één daarvan wordt er van uitgegaan dat ook het aantal gevallen
van HIV toeneemt.
Dr. Dan Cohen, medisch directeur van het Boston Fenway HIV testcentrum vertelde
me in een vraaggesprek in 2003: “Het merendeel van de mensen die in deze
regio gaan worden geïnfecteerd zijn tieners en twintigers”
“Hoe weet u dat?”, vroeg ik.
Dr. Cohen antwoordde: “Omdat wij het aantal geslachtsziekten bij deze
jonge bevolkingsgroep hebben zien toenemen en het dus een kwestie van tijd is
totdat HIV opduikt. Dat geldt met name voor gekleurde mensen.”
Ik gaf aan dat er in 2002 in de hele staat Massachusetts 327 AIDS-doden waren
geregistreerd, inclusief verkeersongevallen, overdoses en zelfmoorden (in die
staat wordt ieder sterfgeval van personen die HIV-positief zijn gerekend tot
AIDS-doden).
Cohens’s antwoord: “Het is niet zo dat, wanneer we geen hoge aantallen
zien, er geen aandacht aan zouden hoeven besteden. Het woekert onder de oppervlakte.”
Hij voegde daaraan toe: “Daarom is het dus urgent.”
Raad eens wat… hij had gelijk. Er worden nu meer gekleurde mensen getest
en omdat aangenomen wordt dat zij een hoog risico dragen wordt de uitslagen een
grotere nauwkeurigheid toegekend. Zo werken statistieken.
De nieuwste HIV-tests worden Rapid Tests (sneltests) genoemd.
Ze dienen voor controle ter plaatse. Al na 20 minuten is de uitslag bekend. De
nauwkeurigheid echter is in hoge mate gebaseerd op je risicogroep.
Uit het vakblad AIDS Alert:
“Patiënten die positief worden getest maar in een laag-risico-gebied
wonen en niet betrokken zijn bij activiteiten die risico voor HIV-infectie met
zich dragen kunnen te horen krijgen dat een positieve uitslag betekent dat ze ‘misschien’ of ‘zeer
waarschijnlijk’ niet met HIV geïnfecteerd zijn.
Anderzijds: “In situaties met hoog risico wordt patiënten meegedeeld
dat ze ‘vermoedelijk’ geïnfecteerd zijn.” (‘Coming
to Your Clinic: Candidates for Rapid Tests’, Aids Alert, maart 1998)
Uit de richtlijnen van de CDC’s voor Rapid Tests:
Als een eerste, positieve sneltest moet worden uitgelegd aan cliënten,
gebruik dan uitdrukkingen als ‘een redelijke kans geïnfecteerd te
zijn’ of ‘zeer waarschijnlijk geïnfecteerd’ om de mogelijkheid
van een HIV-infectie aan te duiden, gerelateerd aan het aantal HIV-gevallen in
de persoonlijke omgeving van de client, en diens persoonlijke risico.” (CDC: ‘Revised
Guidelines for HIV Couxeling, Testing, and Referral’, 9 november 2001)
De CDC is er toe overgegaan op alle zwangere vrouwen een sneltest uit te voeren,
maar dat heeft vermoedelijk alleen betrekking op publieke ziekenhuizen. Je weet
wel, die voor arme mensen.
“Iedere zwangere vrouw zou moeten worden geadviseerd een AIDS-test te
ondergaan, ongeacht haar situatie, gedrag of klinisch risico … HIV preventie-advies
en verwijzing zou – afhankelijk van het vastgestelde risico – gericht
moeten worden op vrouwen.” (ibid)
“HIV sneltests zouden standaard beschikbaar moeten zijn voor moeder
en kind.” (CDC: National HIV Testing Resources ‘HIV Test FAQ’,
2005)
Een geweldig idee, zoals bewezen door een studie uit september 2000: ‘False
Positive and Indeterminate HIV Test Results in Pregnant Women’(‘Vals-positieve
en onduidelijke HIV-testresultaten bij zwangere vrouwen’):
“Naarmate het aantal geteste vrouwen is toegenomen steeg ook het aandeel
dubbelzinnige (onduidelijke) testresultaten…” (Archives of Family
Medicine, sept/okt 2000)
Kijk…, er is natuurlijk het probleem van vals-positieve resultaten
bij zwangere vrouwen die worden veroorzaakt door natuurlijke afweerstoffen als
gevolg van zwangerschap.
“Alleen al in 1991 werden 8000 vals-positieve uitslagen geregistreerd
bij zwangere vrouwen, tegen 6 bevestigingen.” (Lancet, 1992/339)
Wanneer het echter een groep met hoog risico betreft moeten we ervan verzekerd
zijn dat die positieve uitslagen niet vals zijn. Die kloppen per definitie.
Hoe dan ook, de oplossing voor dit probleem ligt voor de hand. Zoals de Canadese
overheid edelmoedig adviseert: “Je mag verwachten dat een vrouw die seropositief
blijkt te zijn bewust voor abortus kiest.” (Screening for HIV antibody,
Health Canada, 1994)
Het goede nieuws is natuurlijk dat wanneer die vrouwen hun baby’s wel
willen houden, de artsen – ongeacht de uitslag van de sneltest – behandeling
met AIDS-medicatie, zoals AZT en/of Nevirapine zullen afdwingen, de over de hele
wereld toegepaste therapie voor seropositief geteste moeders. Sterker nog, de
CDC en de fabrikanten van tests adviseren dat de tests worden uitgevoerd wanneer
de weeën optreden, zodat medicatie kan worden toegediend bij de geboorte: “De
sneltest maakt het mogelijk dat, wanneer de HIV-status van een zwangere vrouw
niet bekend is, al tijdens het baren medicatie wordt toegediend en direct na
de geboorte aan het kind.” (OraQuick Rapid HIV Test, 2003)
Om eerlijk te zijn, er bestaan twijfels over de accuraatheid van tests op
pasgeborenen:
“Pasgeborenen van HIV-geïnfecteerde moeders kunnen van de moeder
afweerstoffen meekrijgen die tot achttien maanden na de geboorte in het lichaam
blijven en die niet noodzakelijkerwijs op een werkelijke infectie van het kind
hoeven te duiden.” (MedMira Reveal HIV Test, 2003)
Maar voor hen die risico lopen geldt: Veiligheid voor alles; beter een flinke
dosis AIDS-medicijnen dan spijt achteraf.
Ironisch genoeg hoeven mensen die minder risico lopen niet zo vaak
getest te worden. Integendeel zelfs, tests op hen worden als ongepast
beschouwd:
“In plannen om tests uit te voeren op groepen mensen die weinig risico
lopen wordt gewoonlijk voorbijgegaan aan het risico van vals-positieve resultaten … Na
hoeveel contacten kan infectie optreden? Hoeveel banen kan dat niet kosten? Hoeveel
ziektekostenverzekeringen zullen er niet worden geannuleerd of geweigerd? Hoeveel
foetussen zullen er wel niet worden geaborteerd en hoeveel echtparen denk je
dat er kinderloos zullen blijven om te voorkomen dat ze een kind met AIDS ter
wereld brengen?” (‘High Frequency of False Positives…’ Ayub
Medical College, Pakistan, 1999)
Uit het blad AIDS Care: “Het onderzoeken van personen met laag risico
vergt bijzondere attentie met betrekking tot vals-positieven, in die zin dat
de mogelijkheid bestaat dat een client HIV-positief wordt getest hoewel hij of
zij niet met het virus is geïnfecteerd … Als cliënten hierover
niet worden geïnformeerd zouden ze kunnen aannemen dat een positieve test
betekent dat ze met absolute zekerheid zijn geïnfecteerd … Emotionele
schade kan worden voorkomen en levens kunnen worden gespaard als cliënten
worden geïnformeerd over de mogelijkheid van vals-positieve uitslagen…” (‘AIDS
Counseling for Low-Risk Clients’, Max Plank Institute/Aids care 10, 1998)
Feitelijk is het testen van mensen met laag risico zelfs dermate ongepast
dat we dat gewoon niet doen:
“Het feitelijke risico van overdracht tussen vrouwen is onbekend … lesbische
vrouwen zijn uitgesloten van epidemiologische risicogroepen.” (‘A
lesbian at very low risk for HIV infection’ HIV InSite/UCSF Center for
HIV Information, 2004)
“Acceptabele grenzen om al dan niet tot testen (van mensen in het algemeen)
over te gaan zijn niet vastgesteld.” (Screening for HIV antibody, Health
Canada, 1994)
“Er was geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van HIV bij
mannen en vrouwen die geen risicovol gedrag vertonen.” (‘AIDS Counseling
for Low-Risk Clients’, Max Plank Institute/Aids Care 10, 1998)
Uiteindelijk lopen ze weinig risico. Seks is geen riskant gedrag hen die een
laag risico lopen. Ze hebben wel geluk, nietwaar?
De statistische standaard die hier wordt overschreden is die van Bayes.
Die geeft aan dat hoe vaker een fenomeen optreedt, hoe accurater de tests. De
mate waarin het bedoelde fenomeen voorkomt wordt bepaald door het uitvoeren van
tests op groepen waarvan de CDC meent dat die ooit risico zullen lopen (zoals
Dr. Cohen het uitdrukte: waar de nieuwe infecties “zullen plaats vinden”,
gebaseerd op voorgenomen tests op bepaalde bevolkingsgroepen op drugsgebruik,
zwangerschap en soa’s). We testen ze vaker, gaan er van uit dat de uitslagen
accurater zijn… En voila: het heerst.
Het eindresultaat in deze vergelijking is de ‘voorspelbare waarde’.
Dat wil zeggen de vermoedelijke waarschijnlijkheid dat je tests correct zijn – niet
positief of negatief – maar correct: Als je behoort tot een groep met hoog
risico wordt aangenomen dat je test een grote voorspellende waarde heeft, dus
wordt de uitslag beoordeeld als positief.
Wanneer je echter tot de groep mensen met laag risico behoort worden de tests
geacht een lage waarde van voorspelbaarheid te bezitten, dus wordt de uitslag
beoordeeld als ‘vals-positief’.
Cijfermatig komt dat op het volgende neer:
“Bij de meeste patiënten (68 tot 89 procent) uit de groepen met
laag risico waar een reactie wordt waargenomen bij de test resulteert dit in
een vals-positieve uitslag … De voorspellende waarde van een positieve
ELISA-test varieert van 2 tot 99 procent…” (Mayo Clinic Proceedings,
1988/63)
“Bij groepen waar HIV in geringe mate voorkomt was de voorspellende
waarde van een HIV-test 11,1 procent, terwijl dit bij groepen waar meer HIV-1
infecties voorkwamen, de voorspellende waarde 97,1 procent was.” (Abbott
Laboratories, HIV-antilichamentest, april 1996)
In een groep met hoog risico blijkt dat “de Positief Voorspelbare Waarde
van een zelftest 67 procent zou zijn; 33 van de 100 zouden vals-positief zijn.
Bij een lager voorkomen [van HIV] daalt die PVW naar 17 procent en zouden 83
van de 100 positieve tests vals zijn.” (‘Advances in HIV Testing
Technology’ - AIDS Education and Prevention – 1997)
De fabrikanten van tests geven het volgende aan om te bepalen of er sprake
is van een groep met hoog risico:
“Gevangenen, clienten van soa-klinieken, patiënten van eerste-hulp
afdelingen van ziekenhuizen in binnensteden … homoseksuele mannen en intraveneuze
drugsgebruikers.” (Vironostika HIV-afweerstoffentest, 2003). Dit zijn dus
de doelgroepen voor het uitvoeren van tests. Voor deze groepen geldt dat HIV-tests
bijna 100 procent accuraat zijn. Voor ieder ander is dat slechts 2 procent.
Al die cijfers zijn echter ietwat verwarrend. In de praktijk gaat het als
volgt, een citaat uit een artikel over sneltests in AIDS Alert van maart 1998:
“Of de tests even goed zullen functioneren in de Verenigde Staten als
ze het daarbuiten doen is nog niet bekend, stellen experts. In elk geval zal
de Positief Voorspelbare Waarde lager zijn bij een bevolkingsgroep waar HIV minder
voorkomt … Dat foutpercentage doet er niet toe in gebieden met hoge aanwezigheid
van HIV omdat het zeer waarschijnlijk is dat mensen met een vals-positieve test
de ziekte sowieso hebben. Wanneer de test echter zou worden uitgevoerd op 1000
blanke, welgestelde huisvrouwen in voorsteden – een groep waar HIV in geringe
mate voorkomt – zullen vermoedelijk alle positieve uitslagen vals zijn
en vallen de PVW’s helemaal terug naar nul.” (Coming to your clinic:
Candidates for Rapid Tests, Aids Alert, maart 1998)
Dus, als je je laat testen en je bent “blank, welgesteld en je woont
in een voorstad”, is er sprake van een vals-positieve test. Als je niet
tot die groep behoort is zelfs een vals-positieve een echt positieve uitslag.
Tjonge, wat is wetenschap toch mooi.
Eén ding staat vast – als je tot een groep met hoog risico behoort
kun je nooit echt negatief zijn:
“Als je een negatief testresultaat hebt, maar tot een groep met hoog
risico behoort is het verstandig om je 3 tot 6 maanden later nog eens te laten
testen.” (‘HIV Antibody Tests’ McKesson Health Solutions LLC)
“Het testen moet na 6 maanden worden herhaald bij seronegatieve mensen
wier gedrag risico met zich meebrengt.” (Screening for HIV Antibody, Health
Canada, 1994)
In het Verenigd Koninkrijk wachten ze niet eens zo lang. (Uit de ‘UK
National Guidelines for HIV testing’, 2003) Als je negatief getest wordt
maar geacht wordt risico te lopen dan “is het duidelijk dat 6 maanden wachten
tot een volgende test niet te verdedigen is, … Wij adviseren te testen
met een gevoelige vierde (of derde) generatie test, direct na de blootstelling
[het riskante seksuele contact] en daarna: één tot twee maanden
later, drie tot vier maanden later en zes maanden.”
Heel attent voegen ze daaraan toe: “Neem de tijd om zorgvuldig uit te
leggen wat de redenen zijn voor dit herhaald testen … ondanks de negatieve
uitslag.” (‘Towards error-free HIV diagnosis: guidelines on laboratory
practice’, Communicable Disease and Public Health 2003; 6,4)
Bij een persoon met laag risico is de procedure heel anders.
Als de test reageert “in een geval waar een negatieve uitslag geheel
voor de hand ligt” – bij een groep met gering risico – wordt
de patiënt niet medegedeeld dat hij of zij HIV-positief is of zelfs ‘waarschijnlijk
geïnfecteerd’. In plaats daarvan eindigt de procedure – “Reactie
[van de test] in deze gevallen moet zeer zorgvuldig worden onderzocht, niet gehaast
om een bepaald aantal handelingen in een zeker tijdsbestek uit te voeren.”
Rustig aan bij het oordeel over een patiënt met laag risico. Wat krijgen
we nog meer?
Het positieve resultaat wordt geschrapt in het dossier – via officiële
kanalen – en er wordt verder gezocht naar het ‘verwachte resultaat’: “Verder
testen is essentieel; er moeten meerdere zorgvuldig gekozen tests worden uitgevoerd
om de kans te verkleinen dat de uitslag toch weer in de vals-positieve richting
gaat als in de in eerste instantie uitgevoerde test.” (ibid)
Hoe verminderen ze dan het aantal vals-positieve uitslagen? Ze gebruiken minder
gevoelige tests of interpreteren de uitslag anders. De mening van de medicus
die de uitslag van de test bepaalt is veel belangrijker dan de test zelf: “Controle
of het eindresultaat wel overeenstemt met de klinische- en gedragskarakteristieken
is van het grootste belang.” (ibid)
Maar hoe weten ze dan dat de eerste test een ‘vals-positieve’ was?
Nou, dat heeft een wat magisch aandoende reden. Wetenschappers beschikken
over een bijzondere wijsheid, vermoed ik. Het is duidelijk dat wat het CDC beweert,
in elk geval op één punt, niet juist is. Je kunt bepalen wie er
HIV-positief wordt – gewoon door naar die persoon te kijken.
De auteur, Liam Scheff is een onderzoeksjournalist wiens werk er uit bestaat
medische misdrijven aan de openbaarheid te brengen. Hij was de hoofdgast in de
BBC-documentaire “Guinea Pig Kids” en zijn werk wordt gepubliceerd
in de alternatieve media. Momenteel werkt hij aan een boek over kinderen en medisch
personeel die onwetend deelnamen aan medicijntests of dwang gebruikten dan wel
ondergaan hebben om schadelijke medicatie te gebruiken als onderdeel van de gebruikelijke
therapie. U kunt met hem in contact komen via liamscheff@yahoo.com.
Toelichting van de vertaler: Bovenstaand artikel bestaat voor een belangrijk
deel uit citaten – en fragmenten daaruit – uit medische bronnen.
De auteur, Liam Scheff, is daarbij uiterst zorgvuldig te werk gegaan. Zelfs een
kleine letter die hij heeft omgezet naar een hoofdletter wordt aangeduid. Een
dergelijke mate van nauwkeurigheid bij het vertalen nauwelijks te handhaven zonder
de tekst feitelijk onleesbaar te maken. De vertaler wijst er daarom met nadruk
op dat de citaten uit deze vertaling geen medische waarde hebben. De lezer wordt
ook met nadruk verwezen naar de oorspronkelijke tekst, op www.whale.to/a/scheff5.html.
*) Noot van de vertaler: De Engelse tekst luidt “Some tests are more
positive than others”, een kennelijke verwijzing naar het boek Animal Farm
(George Orwell, 1945, http://www.online-literature.com/orwell/animalfarm/) waarin
wordt gesteld “All animals are equal, but some animals are more equal than
others”.
|